HvJ EU over uitleg algemene bewoordingen 'zonder dienst toestemming' in dictum

17-11-2022 Print this page
IEPT20221117, HvJEU, Harman v AB

Het Unierecht verzet zich niet tegen een rechterlijke praktijk die erin bestaat het dictum van de beslissing waarbij een inbreukvordering op een Uniemerk wordt toegewezen op te stellen in algemene bewoordingen. Mits de verweerder beschikt over daadwerkelijke rechtsbescherming van de rechten waar hij krachtens de artikelen 34 en 36 VWEU en artikel 15, lid 1, van verordening 2017/1001 aanspraak op maakt. 

 

MERKENRECHT

 

In Zaak C-175/21, feiten via MinBuZa: Verzoekster is gevestigd in de Verenigde Staten en is houdster van de uitsluitende rechten op enkele Uniemerken. Verzoeksters waren (audiovisuele apparatuur) worden in Polen gedistribueerd door één marktdeelnemer, waarmee verzoekster een distributieovereenkomst heeft gesloten en via welke verzoeksters waren aan de eindgebruiker worden verkocht. Verzoekster maakt voor haar waren gebruik van een etiketteersysteem. Het kan niet altijd worden vastgesteld of de betrokken waar door verzoekster al dan niet voor de EER is bestemd, aangezien de etiketten niet aangeven waar de betrokken waren voor het eerst met verzoeksters toestemming in de handel dienden te worden gebracht. Voor de vaststelling van de doelmarkt van deze waren moet gebruik worden gemaakt van specifiek IT-instrument dat ter beschikking van verzoekster staat. Verweerster is gevestigd in Polen en is actief op het gebied van de distributie van elektronica. Verweerster heeft verzoeksters waren ingevoerd op de Poolse markt. Deze waren heeft verweerster verworven van een andere verkoper dan de productdistributeur van verzoekster. Verweerster heeft van deze verkoper de verzekering gekregen dat het in de handel brengen van deze waren in Polen geen afbreuk doet aan verzoeksters uitsluitende rechten op de betrokken Uniemerken, gelet op de uitputting daarvan als gevolg van het feit dat de van de Uniemerken voorziene waren eerder door verzoekster of met haar toestemming in de handel zijn gebracht op het grondgebied van de EER. Verzoekster verzoekt de verwijzende rechter om verweerster te verbieden de aan de Uniemerken verbonden rechten van verzoekster te schenden.


Gestelde vraag (B916276):

Moet artikel 36, tweede volzin, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 15, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk en artikel 19, lid 1, tweede volzin, VEU, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een praktijk van de nationale rechterlijke instanties in de lidstaten die erin bestaat dat deze rechterlijke instanties:

- bij vorderingen van een merkhouder tot het verbieden van het invoeren, het in de handel brengen, het aanbieden van en het maken van reclame voor waren waarop een Uniemerk is aangebracht, alsmede tot het geven van een bevel tot het uit de handel nemen of het vernietigen daarvan,

- bij de uitspraak, in een procedure inzake conservatoire maatregelen, over het beslag op waren waarop het Uniemerk is aangebracht, in hun uitspraak verwijzen naar „waren die niet door de merkhouder of met diens toestemming in de Europese Economische Ruimte in de handel zijn gebracht”, als gevolg waarvan de vaststelling op welke van het Uniemerk voorziene waren de uitgesproken verboden en bevelen betrekking hebben (dat wil zeggen de vaststelling welke waren niet door de merkhouder of met diens toestemming in de Europese Economische Ruimte in de handel zijn gebracht) wegens de algemene formulering van de gedane uitspraak wordt overgelaten aan de tenuitvoerleggingsautoriteit, die zich bij die vaststelling baseert op de verklaringen van de merkhouder of op de door deze laatste aangeleverde instrumenten (waaronder IT-instrumenten en gegevensbanken), terwijl de mogelijkheid om voornoemde vaststelling van de tenuitvoerleggingsautoriteit te betwisten bij een rechterlijke instantie in een procedure ten gronde wordt uitgesloten of beperkt door de aard van de rechtsmiddelen waarover de verweerder beschikt in de procedure inzake conservatoire maatregelen en in de tenuitvoerleggingsprocedure?

Antwoord HvJ EU:

Artikel 15, lid 1, van [Uniemerkenverordening], gelezen in samenhang met artikel 36, tweede volzin, VWEU, artikel 47 van het [Handvest] en [Handhavingsrichtlijn], moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een rechterlijke praktijk die erin bestaat het dictum van de beslissing waarbij een vordering wegens inbreuk op een Uniemerk wordt toegewezen, op te stellen in bewoordingen die, wegens het algemene karakter ervan, het aan de voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing bevoegde autoriteit overlaten om te bepalen op welke waren deze beslissing van toepassing is, voor zover de verweerder in het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure de vaststelling van de waren waarop deze procedure betrekking heeft, kan betwisten en een rechter met inachtneming van de bepalingen van richtlijn 2004/48 kan nagaan en oordelen welke waren daadwerkelijk door de merkhouder of met diens toestemming in de Europese Economische Ruimte in de handel zijn gebracht.

 

IEPT20221117, HvJEU, Harman v AB

 

Zaak C-175/21
ECLI:EU:C:2022:895