Geen 'gemiste inkomsten' portretrecht in kinderpornostrafzaak vanwege strafbaar karakter

12-06-2025 Print this page
IEPT20250610, Rb Rotterdam, Portretrecht kinderporno

In dit strafproces eisen acht benadeelde partijen schadevergoeding van de verdachte, inclusief wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank wijst de materiële schadevergoeding voor drie slachtoffers af, omdat de schade betrekking heeft op portretrecht in verband met kinderpornografisch materiaal. Dergelijke handelingen zijn strafbaar, waardoor geen sprake kan zijn van gemiste opbrengsten. Ook dreigt overlap met immateriële schadevergoeding. De vorderingen voor materiële schade zijn daarom afgewezen.

 

PORTRETRECHT - STRAFRECHT - SCHADEVERGOEDING

 

In dit strafproces vorderen acht benadeelde partijen schadevergoeding van de verdachte. Alle benadeelde partijen hebben verzocht om de toegekende bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vorderingen samengevat in de hieronder opgenomen tabel. De materiële schadevergoeding die slachtoffers 4, 11 en 14 vorderen ziet op schade wegens een inbreuk op hun portretrecht.


Het is immers niet toegestaan om kinderpornografisch materiaal aan te bieden, zodat niet kan worden aangenomen dat er sprake is van enige gemiste opbrengsten bij de benadeelde partijen.


De rechtbank stelt voorop dat de jurisprudentie waar namens de benadeelde partijen op is gewezen ziet op inbreuken op het portretrecht bij legale activiteiten. Dat het in deze zaak om kinderpornografisch materiaal gaat maakt de kwestie wezenlijk anders. Het verspreiden van dergelijk materiaal is immers strafbaar, zodat niet kan worden aangenomen dat sprake is van enige gemiste opbrengsten bij de benadeelde partijen. De rechtbank wijst er bovendien op dat– bij toewijzing van deze schade – ten minste enige overlap lijkt te ontstaan met de toegewezen immateriële schadevergoeding.


De rechtbank zal de vorderingen voor wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding daarom afwijzen.

 

ECLI:NL:RBROT:2025:6771