Rechtbank volgt Geschillencommissie: billijke SENA-vergoeding voor commerciële radiostations vastgesteld
05-09-2025 Print this page
In deze zaak staat de vraag centraal welke billijke vergoeding NVCR-radiostations aan Sena moeten betalen voor openbaarmaking zonder toestemming op grond van art. 7 WNR. Het huidige tarief was gebaseerd op een overeenkomst uit 2004, nadien stilzwijgend verlengd. Na opzegging door Sena in 2011 ontstond geen overeenstemming over een nieuw tarief. De rechtbank legde de zaak voor aan de Geschillencommissie ex art. 24 Wtcb, die als deskundige werd benoemd. De commissie concludeerde o.a. dat een percentage van commerciële inkomsten een redelijk uitgangspunt vormt, alle met uitzendingen gerelateerde inkomsten moeten meetellen, er geen economische rechtvaardiging is voor een staffel, en kortingen alleen mogelijk zijn bij objectieve gronden. NVCR betwistte de deskundigheid en onpartijdigheid van de commissie, maar de rechtbank verwierp dit. Zij achtte de motivering van de commissie overtuigend en nam het advies grotendeels over. De vorderingen jegens Classic FM werden afgewezen; NVCR c.s. moet vanaf 17 januari 2018 het door de commissie geadviseerde tarief betalen, gegevens aanleveren en €5.185,10 proceskosten voldoen.
In de hoofdzaak staat de vraag centraal: Welke billijke vergoeding moeten bij NVCR aangesloten landelijke commerciële radiostations op grond van 7 WNR voor openbaarmaken zonder toestemming betalen aan SENA? Het tarief dat radiostations thans betalen is gebaseerd op de in 2004 met de radiostations gesloten individuele overeenkomst die weer gebaseerd zijn op een modelovereenkomst SENA-NVCR. De looptijd was tot 31 december 2005, echter nadien zijn deze stilzwijgend verlengd. Per 2011 wilde Sena tot een herziening komen en heeft zij de individuele overeenkomsten opgezegd. Na herhaaldelijk overleg is over de wijze waarop de billijke vergoeding moet worden vastgesteld, geen overeenstemming bereikt. Bedoeld tarief bedraagt (thans) een percentage van (in de individuele overeenkomsten nader gedefinieerde)commerciële inkomsten volgens een degressieve staffel (waarbij het percentage afneemt met toenemende inkomsten).
De rechtbank besloot de zaak voor te leggen aan de Geschillencommissie op grond van artikel 24 Wtcb en de daarbij behorende Memorie van Toelichting. Advies inwinnen bij de Geschillencommissie is verplicht, tenzij er recent een vergelijkbare uitspraak is gedaan (wat niet zo is) of de rechter direct kan beslissen (wat hier niet mogelijk is gezien het debat over de hoogte van de billijke vergoeding). Daarnaast achtte de rechtbank een deskundigenbericht nodig, omdat het deels gaat om een economisch debat over de waarde van muziek en de door Sena bepleite methodes de vorderingen op zichzelf niet kunnen dragen.
De rechtbank constateerde verder dat het debat over de vraag in hoeverre VCR een billijke vergoeding verschuldigd is voor het via siinulcasting uitzenden van Amerikaanse fonogrammen, (deels) achterhaald is door het arrest RAAP/PPI (IEPT20200908, HvJEU, RAAP/PPI).
In citaten:
2.10. Bij tussenvonnis van 16 februari 2022 heeft de rechtbank de Geschillencommissie als deskundige benoemd (IEPT20220216) teneinde een onderzoek in te stellen en een schriftelijk en met redenen omkleed antwoord te geven op de volgende (in onderdeel 3.2 van het dictum opgenomen) vragen:
1. Op welk percentage van de inkomsten dient de op grond van artikel 7 Wnr door NVCR c.s. aan Sena te betalen billijke vergoeding te worden vastgesteld? Indien de Geschillencommissie reden ziet voor een hoger percentage als gevolg van het RAAP/PPI-arrest en de daarop volgende wetswijziging, welk percentage geldt dan
inclusief verhoging (te weten vanaf 1januari 2021) en welk percentage geldt exclusief verhoging (te weten tot 1 januari 2021)?
2. Welke componenten dienen te worden meegenomen in de voor de hoogte van het
feitelijk te betalen bedrag te hanteren inkomstengrondslag?
3. Is een degressieve dan wel progressieve staffel om economische redenen en/of het gelijkheidsbeginsel gerechtvaardigd, en zo ja: hoe dient die staffel vorm te worden
gegeven?
4. Is het hanteren van kortingen voor spoedige betaling en/of in verband met het opstellen van rapportages om economische redenen en/of het gelijkheidsbeginsel gerechtvaardigd, en zo ja, hoe moet die kortingsregeling luiden?
Ten aanzien van vraag 1a: een redelijk uitgangspunt voor het billijke modeltarief dat moet worden vastgesteld is ‘een percentage van de commerciële inkomsten
Ten aanzien van vraag 1b: De Geschillencommissie stelt vast dat vanaf 1 januari 2021 er geen wezenlijk verschil is tussen het repertoire dat beschermd wordt door auteursrechten en het repertoire dat beschermd wordt door naburige rechten, behoudens de beschermingsduur.
Ten aanzien van vraag 2: Het is redelijk om voor de inkomstengrondslag in beginsel alle inkomsten mee te rekenen die aan de radio-uitzendingen zijn gerelateerd en, nu dit ook het uitgangspunt is in de overeenkomsten tussen Buma en NVCR c.s., ligt het in rede (ook nu het dezelfde openbaarmaking betreft) daarbij aan te sluiten.
Ten aanzien van vraag 3:
Er bestaat geen rationele/economische rechtvaardiging voor het hanteren van een
progressieve of een degressieve staffel. Er bestaat daarentegen wel aanleiding om rekening te houden met de draagkracht van een betalingsplichtige.
Ten aanzien van vraag 4:
De Geschillencommissie is van oordeel dat het verlenen van kortingen op zichzelf geen recht is dat aan een betalingsplichtige toekomt. Als een tarief billijk is, is er op zichzelf geen verplichting om daarop nog een korting toe te passen. Een Collectieve Beheersorganisatie kan er wel voor kiezen om kortingen te verlenen, mits daar een rationele, objectieve grondslag voor is en zij daarbij handelt volgens het gelijkheidsbeginsel.
NVCR c.s. is het echter niet eens met de conclusies. In haar akte na deskundigenbericht heeft zij betoogd dat dit bericht geheel terzijde moet worden gelegd, omdat de leden van de Geschillencommissie volgens NVCR c.s. niet beschikken over de vereiste financiële en economische deskundigheid en bovendien niet onpartijdig en onafhankelijk zijn, gezien hun nauwe betrokkenheid bij collectieve beheersorganisaties en het uitblijven van correctie van deze disbalans.
Naar het oordeel van de rechtbank had NVCR c.s. deze beide bezwaren echter veel eerder aan de orde moeten en ook kunnen stellen, namelijk niet pas toen zij kennisnam van het deskundigenbericht dat zij als verrassend en teleurstellend betitelt, maar toen zij vernam hoe de Geschillencommissie zou worden samengesteld.
2.17.1 (…) De insteek die de Geschillencommissie heeft gekozen, past binnen het kader dat de rechtbank haar heeft meegegeven. Hetgeen de Geschillencommissie overweegt, is immers in de kern hetzelfde als de rechtbank overwoog. Het is vanuit bedoelde insteek dat de Geschillencommissie vervolgens tot het oordeel is gekomen dat de (uitonderhandelde) tarieven die de niet-landelijke commerciële radiostations en Sublime FM betalen, zich, indien deze op hun eigen merites worden bezien, niet lenen voor een vergelijking omdat deze tarieven (thans) niet (meer) billijk zijn. Dit is iets anders dan, zoals NVCR c.s. betoogt, bepaalde NOS/Sena-factoren als wél relevant en andere als niet relevant beschouwen.
2.20. De rechtbank stelt voorop dat de wetgever met het instellen van de
Geschillencommissie bundeling van expertise ten aanzien van tariefstelling heeft beoogd en daarmee bevordering van eenheid van recht ten aanzien van de billijkheid van door collectieve beheersorganisaties op te leggen vergoedingen. Het inwinnen van een deskundigenbericht van de Geschillencommissie is met het oog daarop in beginsel verplicht gesteld.
2.21. De redenen voor het instellen van de Geschillencommissie en het wettelijk
verplichte karakter van liet deskundigenbericht brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat NVCR es., die zich niet met de inhoud daarvan kan verenigen, met zwaarwegende en overtuigend onderbouwde argumenten moet komen om de rechtbank te brengen tot liet terzijde stellen van dat deskundigenbericht op inhoudelijke gronden.
2.23. De Geschillencommissie heeft uitgebreid beschreven en beargumenteerd hoe zij tot haar conclusies is gekomen en haar overwegingen acht de rechtbank voldoende deugdelijk en overtuigend. Dat de Geschillencommissie heeft geoordeeld dat de verschillen tussen dance events en liet luisteren naar de radio dusdanig groot zijn dat een vergelijking niet voor de hand ligt, is voor de rechtbank, die daarover in het tussenvonnis een ander oordeel had, geen omstandigheid die, in het geheel bezien, aanleiding is om af te wijken van het advies van de Geschillencommissie.
De rechtbank wijst de vorderingen jegens Classic FM af.
Jegens NVCR c.s. stelt de rechtbank de billijke vergoeding die NVCR c.s. vanaf 17 januari 2018 aan Sena moet betalen vast op het door de Geschillencommissie in het deskundigenbericht van 8 juni 2023 geadviseerde niveau.
De rechtbank beveelt NVCR om binnen een termijn van veertien dagen aan haar betalingsverplichtingen jegens Sena te voldoen. En tevens om binnen drie maanden gegevens die nodig zijn om de door NVCR c.s. verschuldige billijke vergoeding over de periode vanaf 17 januari 2018 tot heden vast te stellen. VCR wordt veroordeeld in de proceskosten van €5.185,10.
Lees kopie oorspronkelijke uitspraak
Zie ook: IEPT20250611, ABRvS, NVCR v Sena