HvJ EU: Inbreuk op enkele elementen LEGO-bouwsysteem is geen bijzondere reden voor geen maatregelen

05-09-2025 Print this page
IEPT20250904, HvJEU, Lego v Pozitív Energiaforrás

Art. 10 Verordening nr. 6/2002: beschermingsomvang van een model uit hoofde van art. 8 (3) beoordelen aan de hand van algemene visuele indruk geïnformeerde gebruiker: die geen ontwerper of technisch deskundige is, maar de sector kent en door zijn belangstelling blijk geeft van een relatief hoog aandachtsniveau. Niet een gebruiker die het betrokken model tot in de kleinste details onderzoekt en wiens algemene indruk hoofdzakelijk op technische overwegingen berust.

Art. 89 Verordening nr. 6/2002: inbreuk op slechts enkele elementen modulair systeem valt niet onder ‘bijzondere redenen’: in het geval deze enkele elementen kwantitatief weinig talrijk zijn in verhouding tot het totale aantal onderdelen in dit systeem, valt dit niet onder het begrip ‘bijzondere redenen’.  
 

Zaak C-211/24 Lego v Pozitív Energiaforrás


MODELLENRECHT
 

Uit MinBuza samenvatting

Verzoekende partij is LEGO, houder van twee Uniemodellen voor Lego-bouwstenen. De verwerende partij wilde onder het merk ‘Qman’ bouwspeelgoed in Hongarije invoeren, bestaande uit plastic bouwstenen. De douane heeft een sanctieprocedure tegen Qman ingeleid wegens verdenking van inbreuk op industriële-eigendomsrechten.


Artikel 8, van verordening 6/2002 ziet op Uniemodellen die bepaald zijn door hun technische functie en op modellen van verbinding. Op grond van lid 3 van het artikel kan een model dat tot doel heeft de samenvoegingen of verbinding van onderlinge verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken, onder de voorwaarden van een Gemeenschapsmodel beschermd worden. Uit rechtspraak van het Hof blijkt dat bescherming uit hoofde van deze bepaling zich uitstrekt tot elk model dat bij de ‘geïnformeerde gebruiker’ geen andere algemene indruk wekt. De verwijzende rechter vraagt om meer uitleg van het begrip geïnformeerde gebruiker. Tevens vraagt hij zich af wat zijn beoordelingsvrijheid is om aan de vorderingen van de modelhouder met betrekking tot de inbreuk tegemoet te komen.


Prejudiciële vragen:

1) Verdraagt het zich in een geval als dat in het hoofdgeding, waarin een modelhouder zich op een uit hoofde van artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (hierna: „verordening”) beschermd model beroept ten aanzien van een of meer bouwstenen van een bouwspel van de gedaagde die net als de bouwstenen in het model van de eiser bedoeld zijn om samenvoeging mogelijk te maken, met het Unierecht dat de rechterlijke instanties bij het – in de zin van artikel 10 van de verordening – beoordelen van de draagwijdte van de bescherming van het model van de eiser:

– uitgaan van een geïnformeerde gebruiker die, waar het gaat om de functie van het model en de functie van het voortbrengsel, over de technische kennis beschikt die van een vakman mag worden verwacht;

– een geïnformeerde gebruiker beschouwen als iemand die het model van de eiser en het voortbrengsel van de gedaagde vergelijkt door middel van een grondig, technisch en methodisch onderzoek, en

– aannemen dat deze geïnformeerde gebruiker zijn algemene indruk van het model en van het voortbrengsel voornamelijk vanuit technisch oogpunt vormt?

 

2) Indien in het hierboven beschreven geval de door het model van de eiser verleende bescherming zich uitstrekt tot een of enkele bouwstenen van het bouwspel van de gedaagde, maar het slechts om een gering aantal gaat in verhouding tot het totale aantal, verdraagt het zich dan met het Unierecht dat de rechter de vordering om de verdere invoer van het bouwspel in het land te verbieden kan afwijzen na rekening te hebben gehouden met de gedeeltelijke aard van de inbreuk, de beperkte ernst en omvang daarvan ten opzichte van de waar in haar geheel en het belang dat bestaat bij de onbelemmerde handel in een grotendeels niet ter discussie staand bouwspel, welke redenen worden aangemerkt als „bijzondere redenen” in de zin van artikel 89, lid 1, van de verordening?

Antwoord HvJEU:

1)      Artikel 10 van [Gemeenschapsmodellen-Vo] moet aldus worden uitgelegd dat de draagwijdte van de bescherming van een model uit hoofde van artikel 8, lid 3, van deze verordening moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene visuele indruk die dit model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere mate van kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau wanneer hij deze gebruikt als onderdelen van het modulaire systeem waarvan zij deel uitmaken, en niet bij een gebruiker die, aangezien hij over technische kennis beschikt die vergelijkbaar is met die welke van een vakman kan worden verwacht, het betrokken model tot in de kleinste details onderzoekt en wiens algemene indruk hoofdzakelijk op technische overwegingen berust.

 

2)      Artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een inbreuk betrekking heeft op slechts enkele elementen van een modulair systeem, die kwantitatief weinig talrijk zijn in verhouding tot het totale aantal onderdelen van dit systeem, niet valt onder het begrip „bijzondere redenen” in de zin van deze bepaling op grond waarvan een rechtbank voor het gemeenschapsmodel een of meer van de in die bepaling bedoelde maatregelen niet hoeft te gelasten.

 

IEPT20250904_HvJEU_Lego_v_Pozitív_Energiaforrás
ECLI:EU:C:2025:648 en zaak C-211/24