Wat de gewoonten in de betrokken economische sector betreft, is het algemeen bekend dat marktdeelnemers in de vervoersector steeds vaker gebruikmaken van „jingles”, korte klankmotieven die een herkenbare klankidentiteit creëren. Zulke klankmerken worden onder meer gebruikt in luchthavenlobby’s en op perrons van trein- en busstations, om de aandacht van het publiek te trekken.
Het aangevraagde merk bestaat uit vier verschillende waarneembare klanken en houdt geen rechtstreeks verband met vervoersdiensten, noch is het ingegeven door technische of functionele overwegingen. De melodie vormt een oorspronkelijk werk en is niet louter functioneel.
Gelet op de duur, melodie en waarneembare klanken oordeelde het Gerecht dat de kamer van beroep ten onrechte had geconcludeerd dat het merk elk onderscheidend vermogen miste. De klank heeft juist tot doel als jingle te dienen, die de commerciële herkomst van de diensten aanduidt, overeenkomstig wat in de vervoersector gebruikelijk is.