Ondanks fonetische gelijkenis Poof/Puf is visuele indruk meestal doorslaggevend

17-10-2025 Print this page
IEPT20251001, Gerecht EU, Eti v EUIPO (Poof and done)

Eti verzocht de nietigverklaring van het EU-merk “Poof!… and done”, omdat dit volgens haar te veel leek op haar eerdere merken ETI PUF voor chocolade en gebak. Ze beriep zich op verwarringsgevaar en reputatieschade, maar de EUIPO en de Board of Appeal wezen het verzoek af. Het Gerecht bevestigde dit: ondanks fonetische gelijkenis zijn de visuele en conceptuele verschillen groot, waardoor geen risico op verwarring bestaat. Reputatie(schade) kon niet worden aangetoond.

 

MERKENRECHT

Eti vraag om nietigverklaring van “Poof! … and done”-merk volgens haar te veel leek op haar eerdere merken ETI PUF, geregistreerd voor chocolade, koekjes en gebak. Zij beriep zich op verwarringsgevaar (artikel 8(1)(b) van de Merkenverordening) en op reputatieschade (artikel 8(5)). De EUIPO wees het verzoek af en ook de Board of Appeal bevestigde dat oordeel.


Het Gerecht stelt vast dat de relevante waren en diensten identiek waren, maar dat de visuele gelijkenis tussen de merken gering was. De woorden “puf” en “poof” hebben een vergelijkbaar geluid, maar een beperkte onderscheidende kracht, omdat ze verwijzen naar iets luchtigs. De visuele verschillen — in kleur, lettertype en grafisch ontwerp — zijn daarentegen groot, en consumenten letten in de supermarkt vooral op het uiterlijk van verpakkingen. Daardoor is er volgens het Gerecht geen reëel gevaar dat het publiek denkt dat de producten van dezelfde onderneming komen.


Ook het beroep op reputatie faalde: Eti kon niet aantonen dat haar merk ETI PUF in de EU voldoende bekend was om bescherming op grond van artikel 8(5) te rechtvaardigen. Zonder bewijs van bekendheid of schade door meeliften kon deze grondslag niet slagen.


Het Gerecht bevestigt dat bij de beoordeling van verwarringsgevaar niet alleen de fonetische gelijkenis belangrijk is, maar visuele en conceptuele verschillen, de mate van onderscheidend vermogen en de context van gebruik doorslaggevend kunnen zijn. Bij de beoordeling van merkverwarring de visuele indruk meestal doorslaggevend is.


ECLI:EU:T:2025:924  en Zaak T-651/24