Gedaagde handelde gerechtvaardigd door mogelijke misstanden bij zorginstelling Het Robertshuis te melden. Zijn geheime opnames toonden schreeuwen, kwetsende opmerkingen tegen en isolatie van zijn zwaar autistische minderjarige zoon Getuigen bevestigden dit deels. Mede omdat de kinderen niet zelf kunnen vertellen wat er gebeurt, acht de rechtbank het algemeen belang groter dan de reputatieschade van het Robertshuis. Gedaagde mocht zijn zorgen delen met een journalist die hierover publiceerde. Alle vorderingen van het Robertshuis worden afgewezen.
De minderjarige zoon van gedaagden heeft ernstig autisme, kan niet praten en is volledig afhankelijk van gespecialiseerde zorg. Van december 2021 tot augustus 2022 bezocht hij drie dagen per week het Robertshuis, een zorgcentrum voor kinderen met autisme. Gedaagde liet via de rugzak geluidsopnamen maken tijdens de dagbehandeling. Enkele dagen later volgde een gesprek tussen de ouders en medewerkers van het Robertshuis. In januari 2023 stelden gedaagden het Robertshuis aansprakelijk voor tekortschietende zorg, wat het centrum in februari ontkende. Na een mediabericht in juni 2023 gelastte de rechtbank in oktober een voorlopig getuigenverhoor over mogelijke mishandeling en verwaarlozing van de zoon.
Er is een artikel in Dagblad de Limburger geplaatst met (vermeende) onware, grievende en lasterlijke uitspraken over het Robertshuis, waardoor het Robertshuis in haar eer en goede naam zou zijn aangetast.
Het Robertshuis vordert verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld jegens haar, een verbod om zich op welke dan ook uit te laten over eisers en een gebod tot verwijdering van berichtgeving online.
Weging van grondrechten
De rechtbank oordeelt dat gedaagde gerechtvaardigd handelde toen hij mogelijke misstanden bij het Robertshuis aan de kaak stelde. Omdat het Robertshuis zorg biedt aan zwaar autistische kinderen achter gesloten deuren, en deze kinderen niet zelf kunnen vertellen wat er gebeurt, acht de rechtbank de zorgen van gedaagde reëel. Zijn geheime audio-opnamen toonden aan dat medewerkers tegen kinderen schreeuwden, kwetsende opmerkingen maakten – waaronder een vergelijking van de zoon met een “serial killer” – en hem soms langdurig alleen lieten.
Getuigen bevestigden delen van deze gebeurtenissen, waardoor de rechtbank vaststelde dat gedaagde terecht bezorgd was. Hij mocht zijn bevindingen delen met een onderzoeksjournalist, omdat dit een algemeen belang diende: het beschermen van kwetsbare kinderen tegen mogelijke misstanden.
Hoewel het Robertshuis reputatieschade en negatieve gevolgen ondervond van de publiciteit, weegt volgens de rechtbank het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting zwaarder dan het recht van het Robertshuis op bescherming van haar goede naam. Het Robertshuis had bovendien nagelaten intern onderzoek te doen of verantwoordelijkheid te nemen. Ter zitting is verklaard dat het weer goed gaat met het Robertshuis: Het verscherpt toezicht is beëindigd, geen personeel meer weggegaan en de aanmeldingen (die vanuit Zuid-Limburg stil lagen) komen weer op gang.
De rechtbank verwerpt daarom alle vorderingen van het Robertshuis. Gedaagde handelde niet onrechtmatig: niet door de journalist te benaderen, niet door te dreigen met publiciteit, en er was onvoldoende bewijs dat hij medewerkers of het Robertshuis zelf had bedreigd.
Zie eerder: IEPT20231127 "Geen afgifte audiofragmenten vóór voorlopig getuigenverhoor"