Toewijzing Buma/Sena-vorderingen in faillissement Fresh FM, bestuurder, bestuurder aansprakelijk

02-04-2026 Print this page
IEPT20251210, Rb Amsterdam, BUMA-SENA v SCOEZH

Eindvonnis na tussentijds hoger beroep (hof 15 mei 2024) over vorderingen van Buma en Sena op gefailleerde Scoezh en bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde 2]. Door het faillissement van Scoezh is de procedure tegen haar geschorst; de curator van [gedaagde 2] procedeert voor de boedel, terwijl [gedaagde 2] zelf voor persoonlijke aansprakelijkheid optreedt. De rechtbank stelt de vorderingen op Scoezh grotendeels vast zonder inhoudelijk verweer van Scoezh. Diverse posten worden deels afgewezen (verjaring, niet-opeisbaarheid, geen webcasting). Vervolgens wordt [gedaagde 2] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk gehouden. De vorderingen worden geverifieerd op € 50.292,38 (Buma) en € 50.210,97 (Sena).

 

 

Dit eindvonnis van de rechtbank Amsterdam volgt op een tussenvonnis (9 september 2020) en een tussenarrest van het hof Amsterdam van 15 mei 2024. Centraal staat de vaststelling van de hoogte van de vorderingen van Buma en Sena op de gefailleerde vennootschap Scoezh, en vervolgens de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurder [gedaagde 2].
 

De procedure tegen Scoezh is van rechtswege geschorst na haar faillissement op 5 juli 2018 en niet hervat door haar curator. Daardoor worden de vorderingen inhoudelijk beoordeeld zonder verweer van Scoezh. Na het faillissement van [gedaagde 2] heeft diens curator de procedure voortgezet voor zover deze de boedel betreft (art. 29 Fw), terwijl [gedaagde 2] zelf partij blijft voor zijn persoonlijke aansprakelijkheid. Daarnaast is [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding als schuldeiser tussengekomen en heeft zij de verweren van de curator overgenomen.
 

De rechtbank beoordeelt vervolgens de verschillende onderdelen van de vorderingen van Buma op Scoezh. Onderdeel (A), gebaseerd op het vonnis van 26 mei 2010, leidt tot een vastgestelde vordering van € 12.132,68. Verweren over verjaring en reeds geïnde bedragen slagen niet. Voor latere facturen (2010–2015) wordt verjaring deels gehonoreerd: een beperkt deel (€ 4.608,61) is verjaard, maar overige vorderingen zijn tijdig gestuit. Ook wordt aanvaard dat Buma facturen over 2012–2015 met terugwerkende kracht heeft verzonden, gelet op structurele wanbetaling door Scoezh. Deze posten worden grotendeels toegewezen.
 

Een aanvullende licentievergoeding van € 55.000 (onderdeel C) wordt afgewezen, omdat deze nooit is gefactureerd en dus niet opeisbaar is geworden. Eveneens wordt de vordering inzake streaming/webcasting (onderdeel D) afgewezen: onvoldoende is aangetoond dat Scoezh verantwoordelijk was voor webcasting; dit lag bij een derde partij (Hawta Ltd). Proceskostenveroordelingen (onderdeel E) worden wel meegenomen.
 

Op basis van deze beoordeling stelt de rechtbank de omvang van de vorderingen van Buma en Sena op Scoezh vast. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre [gedaagde 2] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor het onbetaald blijven van deze schulden. Daarbij speelt mee dat sprake is van structurele niet-nakoming van betalings- en informatieverplichtingen, ondanks eerdere rechterlijke veroordelingen en een vaststellingsovereenkomst.
 

De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 2] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en daarom aansprakelijk is voor de schulden van Scoezh jegens Buma en Sena. De vorderingen worden in het faillissement van [gedaagde 2] geverifieerd op € 50.292,38 (Buma) en € 50.210,97 (Sena).
 

Het vonnis illustreert hoe, na faillissement en schorsing van de procedure tegen de vennootschap, de rechter de vorderingen materieel vaststelt en vervolgens via bestuurdersaansprakelijkheid alsnog verhaal op de bestuurder mogelijk maakt.

 

ECLI:NL:RBAMS:2025:11296

Zie eerder: IEPT20220713