Merkenrecht niet gebruiken om beschermingsduur octrooien feitelijk te verlengen
28-01-2026 Print this page
Het Gerecht EU weigert, net als het EUIPO de aanvraag voor een bewegingsmerk dat het openen en sluiten van een raam toont, omdat het teken uitsluitend een technisch functioneel proces weergeeft. De essentiële kenmerken van het teken zijn technisch noodzakelijk om een resultaat te bereiken, zoals ventilatie en stabiliteit. Artikel 7, lid 1, onder e, punt ii, UMVo voorkomt dat het merkenrecht wordt gebruikt om technische oplossingen blijvend te monopoliseren en zo de beperkte bescherming van andere IE-rechten te verlengen.
MERKENRECHT - ABSOLUTE WEIGERINGSGRONDEN
In zaak T-9/25 beoordeelt het Gerecht van de Europese Unie een aanvraag van Kct GmbH & Co. KG voor een bewegingsmerk als Uniemerk. Het merk bestaat uit een animatie die het openen en sluiten van een klapraam toont. Het EUIPO wijst de aanvraag af omdat het teken geen onderscheidend vermogen heeft en uitsluitend een technisch functioneel proces weergeeft. De Kamer van Beroep van EUIPO bevestigt die beslissing.
Het Gerecht sluit zich hierbij aan. Het stelt vast dat de essentiële kenmerken van het bewegingsmerk bestaan uit de opeenvolgende beelden van een raam dat opent en sluit, inclusief de zichtbare bewegende onderdelen zoals stutten. Deze kenmerken vervullen allemaal een technische functie, namelijk het mogelijk maken van ventilatie en lichttoetreding en het ondersteunen en stabiliseren van het raam tijdens de beweging.
Volgens het Gerecht bestaat het teken daarmee uitsluitend uit kenmerken die noodzakelijk zijn om een technisch resultaat te verkrijgen. Het merk valt daarom onder de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e, punt ii, van de Uniemerkenverordening (EU) 2017/1001. Deze bepaling voorkomt dat via het merkenrecht een exclusief en permanent recht ontstaat op technische oplossingen of functionele kenmerken.
Het Gerecht benadrukt dat het merkenrecht niet mag worden gebruikt om de beschermingsduur van andere intellectuele-eigendomsrechten, zoals octrooien, feitelijk te verlengen. De beoordeling richt zich daarbij op de objectieve technische functie van de weergegeven elementen en niet op de wijze waarop het relevante publiek het teken mogelijk waarneemt.
Argumenten van Kct, zoals het beroep op visuele variaties of een vermeend niet-technisch karakter van bepaalde aspecten van de animatie, overtuigen het Gerecht niet. Die elementen wijzigen niets aan het feit dat het teken als geheel slechts een technisch proces toont.
Het Gerecht concludeert dat een bewegingsmerk dat enkel het functioneren van een technisch product laat zien, niet als merk kan worden geregistreerd.
IEPT-versie volgt later
ECLI:EU:T:2026:9, zaak T-9/25