Eigendomsvoorbehoud en T1-status: hof laat beslag op BMW-voertuigen uit verbrand schip voortbestaan

22-01-2026 Print this page
IEPT20260120, Hof Den Haag, BMW
(Met dank aan Hidde Koenraad, Boekx Advocaten)

In dit opheffingskortgeding gaat het om 260 BMW-voertuigen die appellanten kochten na een brand aan boord van de Fremantle Highway. BMW legde beslag op de voertuigen. Het hof heft het beslag niet op en stemt zijn oordeel af op het bodemvonnis van de Rechtbank Den Haag. BMW bleek door eigendomsvoorbehoud en gecorrigeerde facturen ten tijde van de brand nog eigenaar van een deel van de voertuigen. De voertuigen hadden steeds T1-status (volgend bodemvonnis) en zijn niet in het vrije verkeer binnen de EER gebracht, zodat geen uitputting van merk- en modelrechten heeft plaatsgevonden. Door het aanbieden van de voertuigen voor verkoop in de EU was sprake van een dreigende inbreuk. De vordering van BMW tot afgifte ter vernietiging is niet summierlijk ondeugdelijk. Het beslag blijft daarom rusten gedurende het hoger beroep. Appellant 3 is uitgezonderd, omdat zij niet bij de inbreuk betrokken was.

 

BESLAG


Opheffingskortgeding. Appellanten hebben 260 voertuigen van het merk BMW gekocht, die zich bevonden op het schip de Fremantle Highway waarop een brand heeft gewoed. Na de sleep is de lading van boord gehaald en heeft appellant 260 BMW’s gekocht, BMW heeft beslag gelegd op de voertuigen. De Rechtbank Den Haag heeft inmiddels vonnis gewezen in de bodemprocedure over de vraag of appellant inbreuk heeft gemaakt op de merk- en modelrechten van BMW (IEPT20250730). Het hof moet zijn oordeel afstemmen op die beslissing.

 

De nieuwe feiten, die de bodemrechter niet heeft meegewogen: BMW had ten tijde van de brand nog eigendom, omdat er vóór de levering een eigendomsvoorbehoud was bedongen totdat de factuur voor een voertuig was voldaan. Na de brand zijn er gecorrigeerde facturen door BMW aan Pan German. Het gevolg van de correctie van de facturen is dat BMW ten tijde van de brand nog de eigendom van een deel van de Voertuigen had en zij dat deel had kunnen opeisen.

 

Het hof stemt zijn oordeel af op de beoordeling van het Bodemvonnis: de Voertuigen hebben voortdurend de status van extra-communautaire goederen (T1 status) gehad voordat zij aan appellanten zijn verkocht. De Voertuigen zijn niet in het vrije verkeer van goederen in de EER gebracht door BMW of Pan German. Het hof gaat er daarom vanuit dat er geen uitputting van de Uniemerk- en modelrechten op de Voertuigen heeft plaatsgevonden.

 

Er was een dreigende inbreuk op merk- en modelrechten, omdat de Voertuigen ter verkoop zijn aangeboden om noodzakelijkerwijs in de EU in de handel te worden gebracht, is voldaan aan het Class-criterium IEPT20240715 .
 

Er was tijdens het kort geding voorgesteld dat het beslag wordt opgeheven onder voorwaarden dat de voertuigen buiten de EER worden verhandeld. Deze subsidiaire voorwaardelijke opheffing is niet ingesteld, noch is dit verenigbaar met het bodemvonnis. Voor opheffing van het beslag is vereist dat de vordering van BMW tot afgifte van de Voertuigen summierlijk ondeugdelijk is gebleken in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Uit de beslissing in het Bodemvonnis, waarin de afgifte ter vernietiging is toegewezen.


Er blijft dus - gedurende het hoger beroep in de bodemprocedure - beslag rusten op de 260 voertuigen. Bij de verklaringen voor recht, het inbreukverbod en alle bevelen is appellant 3 uitgezonderd, omdat is geoordeeld dat zij niet betrokken was bij de inbreuk, rechtstreeks of als bestuurder.


IEPT-versie volgt later
ECLI:NL:GHDHA:2026:55