Belang Caribische vrije parallelhandel weegt zwaarder bij wereldwijde uitputting

23-03-2026 Print this page
IEPT20260224, GHvJ, Hennessy, Bottles en MHCS cs in zaken B t/m E

Curaçao. Merkenrecht zaken B t/m E. Parallelimport. Wereldwijde uitputting. Etikettering. Identificatiecodes. Concordantie. Het gevaar dat een fles champagne ontploft. Verband met ECLI:NL:OGHACMB:2025:311 (zaak A).

In dit geding verzetten merkhouders van alcoholhoudende drank zich ertegen dat detailhandelaars gedecodeerde flessen drank onder de merken van de merkhouders aanbieden aan het publiek. Het Gerecht heeft alle vorderingen van de merkhouders afgewezen met verwijzing naar eerdere rechtspraak over parallelimport in het Caribisch deel van het Koninkrijk. In dit hoger beroep beoordeelt het Hof de vorderingen opnieuw.

 

MERKENRECHT - UITPUTTING



Benelux- EU-merkenrecht:
Art. 15 lid 2 Merkenrichtlijn 89/104/EG, art. 2.23 lid 3 Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) (BVIE) en art. 13 lid 8 Eenvormige Beneluxwet op de merken (Benelux-Merkenwet) bevatten een uitzondering voor het geval er gegronde redenen zijn zich te verzetten tegen verdere verhandeling van de waren, met als expliciet wettelijk voorbeeld de omstandigheid dat de toestand van de waren, nadat zij in het verkeer zijn gebracht, gewijzigd of verslechterd is.


Het oordeel van het HvJ EG (Loendersloot/Ballantine) ECLI:EU:C:1997:530 komt erop neer dat het verwijderen van identificatienummers een geldige reden voor de merkhouder kan zijn om zich tegen verkoop van waren door parallelimporteurs onder zijn merk te verzetten. Daarvoor is nodig dat die identificatienummers zijn aangebracht met het oog op legitieme belangen, zoals een wettelijke ‘identificatieplicht’, product-recall of de bestrijding van namaak. Daaraan kan niet afdoen dat de merkhouder met het gebruik van die nummers ook tracht te voorkomen dat zijn afnemers de merkproducten in strijd met hun verplichtingen als lid van een gesloten verkooporganisatie aan parallelimporteurs doorverkopen.  (...) als komt vast te staan dat het gebruik van het merkrecht door de merkhouder om zich te verzetten tegen de verhandeling van opnieuw geëtiketteerde producten onder dit merk, zal bijdragen tot kunstmatige afscherming van de markten van de Lid-Staten.


Merkenrecht Nederlandse Antillen

Thans (...) verdient in navolging van de huidige nog geldende regeling uit 1960 opnieuw te kiezen voor wereldwijde uitputting. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de Nederlandse Antillen als klein land sterk afhankelijk zijn van import. In verband hiermee is ons land het meest gebaat bij wereldwijde uitputting. De Nota van Wijziging van 1996 maakte echter een geheel andere keuze: de ontwerpers keerden terug naar wereldwijde uitputting.

 

Etikettering van waren

De Warenlandsverordening bepaalt dat regels kunnen worden gesteld over etikettering, waaronder de verplichting om een productiepartij (nummercode) te vermelden. Het is verboden om waren te verhandelen zonder naleving van deze regels of wanneer zij gevaar opleveren voor gezondheid of veiligheid.


Concordantiebeginsel

Het concordantiebeginsel beoogt het recht binnen het Koninkrijk zoveel mogelijk uniform te houden, maar dit geldt niet absoluut. Afwijking is gerechtvaardigd wanneer: Europese regelgeving een rol speelt, of de wetgever bewust heeft gekozen voor een afwijkend regime. Omdat de Caribische wetgever bewust heeft gekozen voor wereldwijde uitputting, moet deze keuze worden gerespecteerd. Europese rechtspraak is slechts richtinggevend voor zover deze verenigbaar is met deze keuze.
 

Belangenafweging

In de Diageo-zaken oordeelde de Hoge Raad dat het verwijderen van identificatiecodes niet zonder meer merkinbreuk oplevert en dat het belang van vrije parallelhandel zwaar kan wegen.
 

Onrechtmatige daad

Het profiteren van wanprestatie is niet zonder meer onrechtmatig; daarvoor zijn bijzondere omstandigheden nodig. Het doorverkopen van producten uit een ‘lek’ in een gesloten distributiesysteem is dus niet snel onrechtmatig. In de besproken zaken werd geoordeeld dat onvoldoende was aangetoond dat sprake was van verwarring, reputatieschade of uitlokking van wanprestatie.


Belang van parallelimport
Het Hof acht het belang van parallelimport zwaarwegend. Detailhandelaren kunnen via gedecodeerde producten vaak goedkopere partijen verkrijgen, wat gunstig is voor consumenten en toeristen. Dit belang is expliciet door de wetgever vooropgesteld. Argumenten dat parallelimport negatieve economische effecten heeft of belastinginkomsten vermindert, worden verworpen, omdat het niet aan de rechter is om de wetgevende keuze te herzien.


Rol van decodering

Decodering (verwijderen van identificatiecodes) speelt een rol bij parallelimport. Het Hof acht voldoende aannemelijk dat dit bijdraagt aan beschikbaarheid van goedkopere producten. De stelling dat parallelimport ook zonder decodering mogelijk is, wordt als onvoldoende relevant verworpen.

 

Belangen van de merkhouder
Functies van identificatiecodes. Identificatiecodes dienen legitieme doelen zoals: herkomstbepaling, kwaliteitsgarantie, bescherming van de consument, recall en bestrijding van namaak. Dit levert een legitiem belang op, maar rechtvaardigt niet automatisch verzet.


Het Hof concludeert dat het belang van vrije parallelhandel zwaar weegt, de wijzigingen door decodering gering zijn, reputatie en herkomstfunctie slechts beperkt worden aangetast en de gezondheids- en veiligheidsrisico’s niet aannemelijk zijn. Daarom hebben de merkhouders geen gegronde reden om zich te verzetten tegen verdere verhandeling.


Grondrechten
Dat economische belangen zwaarder wegen dan gezondheidsbelangen is niet in strijd met het EVRM, omdat geen sprake is van een reëel en direct gevaar voor personen.


Het verkopen van gedecodeerde producten is niet onrechtmatig jegens de merkhouder er is geen directe betrokkenheid bij decodering, profiteren van decodering is niet zonder meer onrechtmatig en etiketteringsregels beschermen het publiek, niet de merkhouder (relativiteitsvereiste).

 

Conclusie
Het centrale uitgangspunt blijft dat bij wereldwijde uitputting het belang van vrije parallelhandel zwaar weegt. Slechts bij concrete, zwaarwegende en aantoonbare nadelen voor de merkhouder kan sprake zijn van een gegronde reden voor verzet, en daarvan is in deze zaak geen sprake.


IEPT20251216 (Zaak A)
 

ECLI:NL:OGHACMB:2026:31 (zaak B) 

ECLI:NL:OGHACMB:2026:32 (zaak C)

ECLI:NL:OGHACMB:2026:33 (zaak D)

ECLI:NL:OGHACMB:2026:34 (zaak E)