Armada hoeft artiest geen hogere vergoeding voor digitale exploitatie te betalen

04-03-2026 Print this page
IEPT20260304, Rb Amsterdam, artiest v Armada Music

Om te kunnen beoordelen of eiser recht heeft op een hogere royaltyvergoeding voor de digitale exploitatie van zijn muziek door Armada kijkt de rechtbank naar de exploitatieovereenkomsten die [eiser] met (rechtsvoorgangers van) Armada heeft gesloten. Eiser stelt dat de overeenkomsten verkeerd zijn geïnterpreteerd en hierdoor een te laag royaltypercentage is gehanteerd. De overeenkomsten voorzien niet in de mogelijkheid van digitale exploitatie omdat dit ten tijde van ondertekening nog in de kinderschoenen stond. Een percentage van 50% is volgens hem redelijk en marktconform. Armada ziet dit anders en hanteert percentages die redelijk en gangbaar zijn, 50% is dat niet. Armada heeft op de juiste wijze afgerekend. Eiser heeft geen recht op een hogere vergoeding. Wel mocht [eiser] zijn overeenkomsten opzeggen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. Rechtsgeldig opgezegd per 1 juli 2026, medewerking aan terug-overdracht.


ARTIESTENOVEREENKOMST


De rechtbank Amsterdam oordeelt dat platenmaatschappij Armada geen hogere vergoeding hoeft te betalen aan een artiest waarmee zij een contract heeft. Armada heeft op basis van de platencontracten het juiste royalty-percentage toegepast. De artiest mocht de platencontracten wel opzeggen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. De rechten worden per 1 juli 2026 terug overgedragen aan de artiest.


De zaak gaat over de vraag of de artiest recht heeft op een hogere vergoeding (royalty’s) voor de digitale exploitatie van zijn muziek door Armada. De artiest vindt dat Armada daarvoor te lage tarieven hanteert. Armada baseert die tarieven op contracten – de oudste van 25 jaar geleden - die zijn gesloten toen streaming nog in de kinderschoenen stond. De artiest wil dat Armada de royalty’s anders berekent en ten minste 50% van de inkomsten uit digitale exploitatie - van platforms als Spotify, YouTube en Apple - aan de artiest betaalt. Armada is het hier niet mee eens en stelt dat zij de overeengekomen tarieven juist heeft toegepast en dat de tarieven die zij hanteert voor digitale exploitatie redelijk en gangbaar zijn. Inmiddels heeft Armada met terugwerkende kracht het tarief voor de artiest verhoogd naar 22%.


De rechtbank oordeelt dat Armada op de juiste wijze afrekende en dat de muzikant geen recht heeft op een hogere vergoeding. Volgens de rechtbank is niet vast komen te staan dat Armada de platencontracten van de artiest verkeerd heeft toegepast. Armada heeft in het platencontract opgenomen voor welke specifieke gevallen een hogere royaltyvergoeding van 50% wordt afgerekend. Daar valt digitale exploitatie via online platforms niet onder. Ook weegt de rechtbank mee dat 15 jaar lang op deze manier uitvoering is gegeven aan de contracten zonder dat de artiest daar bezwaar tegen heeft gemaakt. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de royalty-bepalingen in de contracten ongeldig te verklaren of te wijzigen.


De muzikant mocht in dit geval zijn overeenkomst met Armada wel opzeggen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. Daarbij weegt mee dat de contracten lang geleden zijn afgesloten en dat de investeringen van de platenmaatschappij minimaal zijn geweest. De artiest heeft de overeenkomst opgezegd en daarbij een opzegtermijn van 7 maanden in acht genomen. Dat betekent dat de opzegging per 1 juli 2026 in werking treedt en Armada de verkregen rechten per die datum terug moet overdragen aan de artiest.


Eerdere uitspraak tegen platenmaatschappij Universal
De artiest werd in deze zaak gesteund door De Kunstenbond en BAM! Popauteurs, net als drie andere artiesten die eerder een vergelijkbare rechtszaak voerden tegen platenmaatschappij Universal [IEPT20251022]. Ook in die zaak is door de rechtbank niet aangenomen dat de platenmaatschappij te lage royalty’s betaalde.

 

IEPT-versie volgt later
ECLI:NL:RBAMS:2026:2196