Afwijzing voorschot wegens onrechtmatig conservatoir beslag, verwijzing schadestaatprocedure
13-05-2026 Print this pageProceskostenveroordelingen (artikel 1019h Rv en artikel 1019ie Rv). Afwijzing voorschot op schadevergoeding wegens leggen en handhaven van onrechtmatige conservatoir beslag op de Linkspan Calais 10. Verwijzing naar schadestaatprocedure. Vervolg op IEPT20250903.
De rechtbank stelt voorop dat alle door MacGregor c.s. opgevoerde schadeposten wat betreft omvang “zeer gemotiveerd” zijn betwist door Ravestein. Zonder nadere schriftelijke ronde of bewijslevering is daarom onvoldoende duidelijk welk bedrag aan schade daadwerkelijk is geleden.
Ten aanzien van de juridische kosten (€ 119.999,73) voert MacGregor aan dat deze zijn gemaakt wegens het beslag, onder meer voor overleg, bankgarantie, het opheffingskortgeding en advisering. Ravestein betwist echter dat voldoende is toegelicht op welke concrete werkzaamheden de facturen zien, waarom deze nodig waren en waarom zij zonder beslag niet zouden zijn gemaakt. Daarnaast zouden de kosten al onder de proceskostenveroordeling vallen, buitenproportioneel hoog zijn en deels vermijdbaar zijn geweest. De rechtbank overweegt dat de kosten van het kort geding in elk geval niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen, omdat daarover al een proceskostenveroordeling was uitgesproken.
Ook de gevorderde extra huur- en opslagkosten (€ 903.073,94) zijn volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Ravestein betwist onder meer de hoogte van de bedragen, het causaal verband met het beslag en de noodzaak van de kosten. Volgens haar blijkt uit de stukken niet dat sprake was van extra kosten die zonder beslag zouden zijn uitgebleven. De rechtbank acht daarom onvoldoende duidelijk welk deel van deze kosten daadwerkelijk door het beslag is veroorzaakt.
Voor de extra personeels- en huisvestingskosten (€ 376.730,01) geldt hetzelfde. MacGregor stelt dat buitenlandse werknemers door het beslag niet konden werken, maar Ravestein voert aan dat de werkzaamheden gewoon doorgingen en dat de vertraging geen verband hield met het beslag. Ook de berekening van de schade en het gehanteerde uurtarief worden betwist.
De interne kosten (€ 55.510,00) zijn volgens Ravestein onvoldoende gespecificeerd en vallen bovendien onder de proceskostenveroordeling. De rechtbank sluit zich daarbij aan.
Met betrekking tot de kosten van de bankgarantie (€ 50.670,89) kan de rechtbank niet vaststellen dat daadwerkelijk een adequate bankgarantie is aangeboden. Ook daarom wordt geen voorschot toegewezen.
Ten aanzien van reputatieschade en gemiste winst oordeelt de rechtbank dat deze posten nader aan de orde kunnen komen in de schadestaatprocedure, maar dat er geen aanleiding bestaat alvast een voorschot toe te kennen.
De conventionele vorderingen in eerste zaak worden afgewezen en Ravestein wordt in proceskosten €4.131 veroordeeld. Ook in de tweede zaak worden vorderingen afgewezen en wordt Ravestein veroordeeld in proceskosten €29.872,00. In reconventie wordt voor recht verklaard dat Ravestein jegens MacGregor aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het onrechtmatig leggen en handhaven van conservatoir beslag. Schade op te maken bij staat en proceskostenveroordeling €5.236,33.