HvJ EU: Uitzondering voor pastiches is geen vangnetclausule

15-04-2026 Print this page
IEPT20260414, HvJEU, Pelham II

Pastiche-exceptie vormt geen vangnetclausule voor ieder creatief hergebruik maar vereist herkenbare artistieke of creatieve dialoog met bestaand werk dat een of meer bestaande werken oproept maar daarmee merkbare verschillen vertoont en auteursrechtelijk beschermde kenmerkende elementen gebruikt om met die werken een artistieke of creatieve dialoog aan te gaan die als zodanig herkenbaar is. Die artistieke of creatieve dialoog kan verschillende vormen aannemen, waaronder een stijlimitatie, een eerbetoon of een humoristische of kritische confrontatie. Daarbij is het mogelijk dat pastiche een uiting is van humor of spot, maar dit is niet noodzakelijk. Openlijk gebruik is vereist, zodat verborgen imitatie of plagiaat niet onder het begrip valt. Derhalve kan sampling onder de pastiche-exceptie vallen wanneer de sample wordt gebruikt voor een werk dat voldoet aan deze vereisten. Voor toepassing van de pastiche-exceptie volstaat dat de aard als pastiche objectief herkenbaar is voor een persoon die bekend is met het oorspronkelijke werk. Niet vereist dat wordt vastgesteld dat de gebruiker het voornemen had een pastiche te maken. 


Minbuza

Verzoekers, CG en YN, stellen dat verweersters, Pelham, SD en UP, ongeveer twee seconden van een ritmische sequens van een nummer elektronisch hebben gekopieerd („gesampled”) en deze in een doorlopende herhaling onder een ander nummer hebben gezet, hoewel zij de overgenomen ritmische sequens ook zelf had kunnen spelen. Verweersters hebben volgens verzoekers daarmee inbreuk gemaakt op het naburige recht waarvan verzoekers als fonogramproducent houder zijn. Verzoekers hebben verweersters onder andere verzocht om staking van de inbreuk. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering toegewezen. Het door verweersters ingestelde hoger beroep is verworpen. Op het door verweersters ingestelde beroep in Revision is de zaak naar de appelrechter terugverwezen. Nadat het tweede hoger beroep opnieuw is verworpen en het hiertegen ingestelde beroep in Revision niet is geslaagd, heeft het federaal grondwettelijk hof de arresten in Revision en het tweede arrest in hoger beroep vernietigd en de zaak naar de verwijzende rechter terugverwezen.


Middels de eerste prejudiciële vraag wenst verwijzende rechter te vernemen of de uitzonderingsregeling van het gebruik voor pastiches in de zin van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 in ieder geval een vangnet is voor een artistieke uiteenzetting met een bestaand werk of ander materiaal, met inbegrip van sampling, en of voor het begrip pastiche beperkende criteria gelden zoals het vereiste van humor, stijlimitatie of eerbetoon. Krachtens een nationale bepaling, die tevens is omgezet in artikel 5, lid 3, onder k) en lid 4, van richtlijn 2001/29, is de reproductie, de distributie en de mededeling aan het publiek van een gepubliceerd werk voor karikaturen, parodieën of pastiches toegestaan. De bandbreedte van de betekenis van het begrip „pastiche” in de omgangstaal van veel lidstaten kan reiken van de imitatie van stijl tot en met gerecombineerde arrangementen of nieuwe composities uit reeds beschikbaar materiaal van vreemde herkomst. Daarbij hebben alle betekenissen, hoe verschillend zij in detail ook zijn, juist het referentiële karakter gemeen met betrekking tot iets dat reeds bestaat. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag stelt de verwijzende rechter dat verder moet worden verduidelijkt wanneer het gebruik geschiedt in de zin van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 „voor” een pastiche. Volgens de verwijzende rechter moet volstaan dat het gebruik als pastiche herkenbaar is voor iedereen die bekend is met het betreffende auteursrechtelijk beschermde materiaal en over het vereiste intellectuele inzicht beschikt voor het waarnemen van de pastiche.

 

 

Gestelde vragen:

1. Vormt de uitzonderingsregeling inzake het gebruik voor pastiches in de zin van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29/EG in ieder geval een vangnet voor een artistieke uiteenzetting met een bestaand werk of ander materiaal, met inbegrip van sampling? Gelden voor het begrip pastiche beperkende criteria zoals het vereiste van humor, stijlimitatie of eerbetoon?


2. Vereist het gebruik ,,voor” een pastiche in de zin van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29/EG de vaststelling dat de gebruiker voornemens is om auteursrechtelijk beschermd materiaal te gebruiken voor een pastiche of volstaat het dat de aard als pastiche herkenbaar is voor personen die bekend zijn met het betreffende auteursrechtelijk beschermde materiaal en die over het vereiste intellectuele inzicht beschikken voor het waarnemen van de pastiche?


Conclusie AG B9 16797:

(1) Artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29/EG […] moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ‘pastiche’, in de zin van die bepaling, ziet op een artistieke uiteenzetting met een bestaand werk of ander materiaal die: (i) dat werk oproept door diens karakteristieke esthetische taal over te nemen, terwijl 
(ii) zij duidelijk verschilt van de bron die wordt nagebootst, en 
(iii) zij bedoeld is als herkenbare imitatie. Het doel dat met die expliciete stilistische imitatie wordt nagestreefd, is niet relevant. Ook het lenen van beschermde elementen, waaronder het ‘samplen’ van fonogrammen, valt onder deze uitzondering voor zover het leidt tot een artistieke schepping met die wezenlijke kenmerken.

 

(2) Artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het gebruik van een beschermd werk of ander materiaal geacht moet worden te geschieden “voor” een pastiche in de zin van die bepaling, wanneer het pastiche‑karakter van dat gebruik herkenbaar is voor iedereen die bekend is met het betreffende auteursrechtelijk beschermde materiaal en die het intellectuele inzicht heeft om die pastiche te kunnen ervaren.

 

Antwoord HvJEU:

1)      Artikel 5, lid 3, onder k), [InfoSoc-Richtlijn] moet aldus worden uitgelegd dat de uitzondering voor pastiches in de zin van deze bepaling geen vangnetclausule vormt, maar betrekking heeft op creaties die een of meerdere bestaande werken oproepen doch met die werken merkbare verschillen vertonen, en die bepaalde auteursrechtelijk beschermde kenmerkende elementen van die werken gebruiken, ook via „sampling”, met als doel om met deze werken een artistieke of creatieve dialoog aan te gaan die als zodanig herkenbaar is en verschillende vormen kan aannemen, met name een openlijke stijlimitatie van die werken, een eerbetoon eraan of een humoristische of kritische confrontatie ermee.

 

2)      Artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat, om als een gebruik „voor” pastiches in de zin van deze bepaling te kunnen worden aangemerkt, het volstaat dat de aard als pastiche herkenbaar is voor een persoon die bekend is met het bestaande werk waaraan elementen zijn ontleend.

 

IEPT2026414, HvJEU, Pelham II

ECLI:EU:C:2026:290 in zaak C-590/23 Pelham