HvJEU: Begrip ‘ankergedaagde’ in de zin van artikel 8 Brussel I bis Verordening in civiele en commerciële zaken uitgelegd

14-07-2026 Print this page
Auteur:
J.S. Smits
IEPT20260416 , HvJEU, GCC Interconnection Authority v Prysmian Netherlands

Begrip ‘ankergedaagde’ in de zin van artikel 8 Brussel I bis Verordening in civiele en commerciële zaken uitgelegd. Beslissingen kunnen slechts onverenigbaar worden geacht indien zij tot een divergentie in de beslechting van een geschil leiden, bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, Weerlegbaar vermoeden van beslissende invloed door moedermaatschappij kent grondslag in mate waarin moedermaatschappij ten gevolge van houderschap zeggenschap heeft over haar dochteronderneming. 

 

PROCESRECHT - MEDEDINGINGSRECHT 

 

Het Gerechtshof Amsterdam heeft prejudiciële vragen gesteld in twee gevoegde zaken. De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 ("Brussels I-bis Verordening") betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. In het onderhavige geval gaat het specifiek over de bepaling van het gerecht dat relatief bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tot vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de partijen en tot hun veroordeling tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de  Europese  Economische  Ruimte.
 

Gestelde vragen zaak C-672/23

„1) a) Bestaat een nauwe band in de zin van art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] tussen:
i) enerzijds een vordering tegen een hoofdverweerder (ook wel: ankergedaagde) die geen geadresseerde is van een kartelbeschikking van de Commissie maar, als entiteit waarvan wordt gesteld dat zij behoort tot de onderneming in de zin van het Europese mededingingsrecht (hierna: de Onderneming), neerwaarts aansprakelijk wordt gehouden voor de vastgestelde inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod en
ii) anderzijds een vordering tegen:
– een medeverweerder die geadresseerde is van die beschikking, en/of
– een medeverweerder die geen geadresseerde is van de beschikking ten aanzien van wie wordt gesteld dat deze als juridische entiteit behoort tot een Onderneming die in de beschikking publiekrechtelijk aansprakelijk is gehouden voor de inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod?
Maakt het daarbij uit:
1. of de neerwaarts aansprakelijk gehouden ankergedaagde in de kartelperiode louter aandelen hield en beheerde;
2. – bij bevestigende beantwoording van vraag 4a – of de neerwaarts aansprakelijk gehouden ankergedaagde betrokken was bij de productie, distributie, verkoop en/of levering van gekartelliseerde producten en/of het leveren van gekartelliseerde diensten;
3. of de medeverweerder, die geadresseerde van de beschikking is, in de beschikking is aangemerkt als
(i) feitelijk karteldeelnemer – in de zin dat hij daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de vastgestelde inbreukmakende overeenkomst(en) en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen dan wel
(ii) als juridische entiteit die deel uitmaakt van de Onderneming die publiekrechtelijk aansprakelijk is gehouden voor de schending van het Unierechtelijk kartelverbod;
4. of de medeverweerder, die geen geadresseerde van de beschikking is, daadwerkelijk gekartelliseerde producten en/of diensten heeft geproduceerd, gedistribueerd, verkocht en/of geleverd;
5. of de ankergedaagde en de medeverweerder al dan niet behoren tot dezelfde Onderneming,
6. de eisende partijen direct of indirect producten en/of diensten hebben gekocht of geleverd hebben gekregen van de ankergedaagde en/of de medeverweerder?
b) Is voor de beantwoording van vraag 1a van belang of het al dan niet voorzienbaar is dat de desbetreffende medeverweerder wordt opgeroepen voor het gerecht van deze ankergedaagde? Zo ja, is deze voorzienbaarheid een apart criterium bij toepassing van art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012]? Is deze voorzienbaarheid in beginsel gegeven gelet op het arrest Sumal van 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800? In hoeverre maken de in vraag 1a genoemde omstandigheden genoemd (a) tot en met (f) het hier voorzienbaar dat de medeverweerder zou worden opgeroepen voor het gerecht van de ankergedaagde?

2) Dient bij de vaststelling van de rechtsmacht ook acht te worden geslagen op de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde? Zo ja, is voor die beoordeling toereikend dat niet op voorhand uitgesloten kan worden dat de vordering zal worden toegewezen?


3) a) Omvat het Unierechtelijk recht van een ieder op schadevergoeding naar aanleiding van een vastgestelde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod het recht om buiten de EER geleden schade te vorderen?
b) Moet of kan het in het mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed door de (beboete) moedervennootschappen ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschappen (het ‚Akzo-vermoeden’) worden toegepast in (civiele) kartelschadezaken?
c) Voldoet een tussenholding die louter aandelen beheert en houdt aan het tweede Sumal-criterium (het verrichten van een economische activiteit die een concreet verband heeft met het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld)?


4) a) Kunnen bij toepassing van art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] verschillende in dezelfde lidstaat gevestigde verweerders (tezamen) ankergedaagde zijn?
b) Wijst art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] het relatief bevoegde gerecht rechtstreeks en onmiddellijk aan, met terzijdestelling van het nationale recht?
c) Als vraag 4a ontkennend wordt beantwoord – zodat slechts één verweerder ankergedaagde kan zijn – en vraag 4b bevestigend wordt beantwoord – zodat art. 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] rechtstreeks, met terzijdestelling van het nationaal recht het relatief bevoegde gerecht aanwijst: Is er bij toepassing van [deze bepaling] ruimte voor interne verwijzing naar het gerecht van de woonplaats van de verweerder in dezelfde lidstaat?”

Gestelde vragen zaak C-673/23

„1) a) Bestaat een nauwe band in de zin van artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] tussen:
i) enerzijds een vordering tegen een hoofdverweerder (ook wel: ankergedaagde) die geen geadresseerde is van een kartelbeschikking van een nationale mededingingsautoriteit maar als entiteit waarvan wordt gesteld dat zij behoort tot de Onderneming [...] opwaarts aansprakelijk wordt gehouden voor de vastgestelde inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod en
ii) anderzijds een vordering tegen:
(A) een medeverweerder die geadresseerde is van die beschikking en/of dan wel,
(B) een medeverweerder die geen geadresseerde is van de beschikking ten aanzien van wie wordt gesteld dat deze als juridische entiteit behoort tot een Onderneming die in de beschikking publiekrechtelijk aansprakelijk is gehouden voor de inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod?
Maakt het daarbij uit: 
(a) of de opwaarts aansprakelijk gehouden ankergedaagde in de kartelperiode louter aandelen hield en beheerde;
(b) – bij bevestigende beantwoording van vraag 4a – of de opwaarts aansprakelijk gehouden ankergedaagde betrokken was bij de productie, distributie, verkoop en/of levering van gekartelliseerde producten en/of het leveren van gekartelliseerde diensten;
(c) of de ankergedaagde al dan niet woont in de lidstaat waar de nationale mededingingsautoriteit (enkel) een inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod op de nationale markt heeft vastgesteld;
(d) of de medeverweerder, die geadresseerde van de beschikking is, in de beschikking is aangemerkt als
(i) feitelijk karteldeelnemer – in de zin dat hij daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de vastgestelde inbreukmakende overeenkomst(en) en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen dan wel
(ii) als juridische entiteit die deel uitmaakt van de Onderneming [die] publiekrechtelijk aansprakelijk is gehouden voor de schending van het Unierechtelijk kartelverbod;
(e) of de medeverweerder, die geen geadresseerde van de beschikking is, daadwerkelijk gekartelliseerde producten en/of diensten heeft geproduceerd, gedistribueerd, verkocht en/of geleverd;
(f) of de ankergedaagde en de medeverweerder al dan niet behoren tot dezelfde Onderneming,
(g) de eisende partijen direct of indirect producten hebben gekocht en/of diensten geleverd hebben gekregen van de ankergedaagde en/of de medeverweerder?
b) Is voor de beantwoording van vraag 1a van belang of het al dan niet voorzienbaar is dat de desbetreffende medeverweerder wordt opgeroepen voor het gerecht van deze ankergedaagde? Zo ja, is deze voorzienbaarheid een apart criterium bij toepassing van artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012]? Is deze voorzienbaarheid in beginsel gegeven gelet op het arrest Sumal van 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800? In hoeverre maken de in vraag 1a genoemde omstandigheden genoemd (a) tot en met (g) het hier voorzienbaar dat de medeverweerder zou worden opgeroepen voor het gerecht van de ankergedaagde?


2) Dient bij de vaststelling van [de] rechtsmacht ook acht te worden geslagen op de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde? Zo ja, is voor die beoordeling toereikend dat niet op voorhand uitgeslot

en kan worden dat de vordering zal worden toegewezen?
3) Moet of kan het in het mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed door de (beboete) moedervennootschappen ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschappen (het ‚Akzo-vermoeden’) worden toegepast in (civiele) kartelschadezaken?


4) a) Kunnen bij toepassing van artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] verschillende in dezelfde lidstaat gevestigde verweerders (tezamen) ankergedaagde zijn?
b) Wijst artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] het relatief bevoegde gerecht rechtstreeks en onmiddellijk aan, met terzijdestelling van het nationale recht?
c) Als vraag 4a ontkennend wordt beantwoord – zodat slechts één verweerder ankergedaagde kan zijn – en vraag 4b bevestigend wordt beantwoord – zodat artikel 8 [punt] 1 verordening [nr. 1215/2012] rechtstreeks, met terzijdestelling van het nationaal recht het relatief bevoegde gerecht aanwijst: Is er bij toepassing van artikel 8 [punt] 1 van verordening [nr. 1215/2012] ruimte voor interne verwijzing naar het gerecht van de woonplaats van de verweerder in dezelfde lidstaat?”

 

Het Hof van Justitie antwoord als volgt. 

Beslissingen kunnen slechts onverenigbaar worden geacht indien zij tot een divergentie in de beslechting van een geschil leiden, bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. 

Artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 (Brussel I Bis Verordening) niet zodanig kan worden uitgelegd dat een verzoeker op grond ervan een vordering tegen meerdere verweerders kan instellen met het enkele doel om een van die verweerders te onttrekken aan de gerechten van de staat waar hij zijn woonplaats heeft.

Aan de verwijzende rechter om te beoordelen of er sprake is van dezelfde situatie feitelijk en rechtens en om zich ervan te vergewissen dat de vorderingen die gericht zijn tegen de enige verweerder van wie de woonplaats de bevoegdheid van het aangezochte gerecht rechtvaardigt, niet bedoeld zijn om op kunstmatige wijze te voldoen aan de voorwaarden

Weerlegbaar vermoeden van beslissende invloed door moedermaatschappij aangenomen in bijzondere geval waarin moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg alle kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan. Mate waarin moedermaatschappij ten gevolge van houderschap zeggenschap heeft over haar dochteronderneming ligt ten grondslag aan weerlegbaar vermoeden, en dus niet het feit dat de moedermaatschappij het gehele of nagenoeg het gehele maatschappelijk kapitaal van dochteronderneming in handen heeft.

‘Zo nauwe band’ in de zin van artikel 8(1) Brussels I Bis Verordening moet aldus worden uitgelegd dat 
 

  • Een “zo nauwe band” kan bestaan tussen, enerzijds, een vordering tegen een ankergedaagde die niet als aansprakelijk is aangewezen voor een door de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst en, anderzijds, vorderingen tegen vennootschappen ten aanzien waarvan er ernstige aanwijzingen bestaan dat zij toebehoren aan ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht van de Unie waaraan deze inbreuk is toegerekend.
  • Bij de beoordeling of er een “zo nauwe band” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, de voorzienbaarheid voor de medeverweerder om voor het gerecht van de ankergedaagde te worden opgeroepen, geen zelfstandig criterium is, maar als algemeen beginsel in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel van die bepaling.
  • Bij de beoordeling of er een “zo nauwe band” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, geen rekening hoeft te worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde. Er kan niettemin rekening mee worden gehouden als aanwijzing dat de verzoeker de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling niet kunstmatig heeft gecreëerd. 
    Het feit dat de schade die in het kader van een kartelschadevordering voor een rechter van een lidstaat wordt aangevoerd, buiten de EER is ingetreden, impliceert op zichzelf niet dat de vordering in het kader van de toetsing van de internationale bevoegdheid van die rechter kennelijk ongegrond moet worden geacht.
  • Dat het zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid bepaalt van het gerecht van een lidstaat in het rechtsgebied waarvan de ankergedaagde woonplaats heeft.
  • Het zich er niet tegen verzet dat een gerecht van een lidstaat dat aanvankelijk op grond van deze bepaling is aangezocht, maar zich relatief onbevoegd acht om kennis te nemen van de vordering tegen de ankergedaagde, zich onbevoegd verklaart ten gunste van een ander gerecht van dezelfde lidstaat dat bevoegd is om daarvan kennis te nemen, wanneer deze onbevoegdverklaring in overeenstemming is met de nationale procedureregels en geen afbreuk doet aan het nuttig effect van deze verordening.

 

IEPT20260416, HvJEU, GCC Interconnection Authority v Prysmian Netherlands

 

Gevoegde zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293