Gerecht EU: Er was een duidelijke, specifieke en onvoorwaardelijke volmacht voor merkregistratie

29-04-2026 Print this page
IEPT20260422, Gerecht EU, Peponis v EUIPO

In zaak T-494/24 bevestigt het Gerecht van de EU dat een nietigheidsvordering op grond van artikel 8 lid 3 UMVo faalt wanneer niet wordt aangetoond dat de merkaanvraag zonder toestemming van de rechthebbende is ingediend. Het Gerecht oordeelt dat uit de feitelijke omstandigheden, waaronder de zakelijke relatie en een volmacht, volgt dat sprake was van duidelijke, specifieke en onvoorwaardelijke toestemming. De bewijslast rust op de verzoeker tot nietigverklaring, en bij gebrek aan overtuigend bewijs blijft de inschrijving in stand.


MERKENRECHT

 

De zaak betreft een nietigheidsprocedure tegen een Uniemerk dat gezamenlijk op naam van twee partijen was ingeschreven. De verzoeker tot nietigverklaring stelde dat de aanvraag zonder zijn toestemming was ingediend, en beriep zich op de relatieve nietigheidsgrond van artikel 60 lid 1 onder b UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 3 UMVo. De nietigheidsafdeling van het EUIPO wees het verzoek af omdat niet was aangetoond dat de aanvraag zonder toestemming was ingediend, waarna het beroep bij de Kamer van Beroep eveneens werd verworpen.

 

Juridisch kader en bewijslast
Het Gerecht benadrukt dat artikel 8 lid 3 UMVo bescherming biedt tegen merkaanvragen door agenten of vertegenwoordigers zonder toestemming van de merkhouder. Daarbij rust de bewijslast op degene die nietigheid inroept. Deze moet aantonen dat geen toestemming is verleend, waarbij de beoordeling plaatsvindt op basis van alle relevante feitelijke omstandigheden.

 

Beoordeling van toestemming
Het Gerecht onderzoekt de feitelijke relatie tussen partijen en stelt vast dat er sprake was van een zich ontwikkelende zakelijke samenwerking. Van belang is dat partijen een algemene volmacht mede hebben ondertekend in het kader van de merkaanvraag en dat de aanvraag vervolgens op naam van beide partijen is ingediend. Deze chronologie vormt volgens het Gerecht een samenstel van aanwijzingen waaruit blijkt dat de verzoeker kennis had van en instemde met de inschrijving. Het Gerecht kwalificeert deze toestemming als “duidelijk, specifiek en onvoorwaardelijk”.

 

Verwerping van argumenten van de verzoeker
Het Gerecht verwerpt het betoog dat geen impliciete toestemming kan worden afgeleid uit stilzitten of uit algemene documenten. Het oordeelt dat de volmacht rechtstreeks verband hield met de concrete inschrijvingsprocedure en daarom relevant bewijs vormt. Ook wordt geen tegenstrijdigheid gezien in de beoordeling van verschillende documenten, omdat alleen de volmacht een directe link had met de merkaanvraag.


ECLI:EU:T:2026:277