Rechterlijke bevoegdheid bij schending persoonlijkheidsrechten door serie op tv in diverse landen en op internet

08-07-2026 Print this page
IEPT20260618, HvJ EU, Idziski (Unsere Mütter, unsere Väter)

Artikel 5, punt 3, van [EEX-Vo Brussel-I] bepaalt dat (1) de rechter van de lidstaat waar het centrum van de belangen ligt, niet bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot volledige schadevergoeding als gevolg van een schending van zijn persoonlijkheidsrechten door de uitzending van audiovisuele inhoud op televisie in meerdere lidstaten. Idem betreffende internetverspreiding, maar het is niet mogelijk om deze persoon te identificeren, zelfs niet indirect, hoewel de inhoud wel onmiskenbaar een beperkte groep identificeert waarvan de leden een gesloten categorie van personen vormen waarmee die persoon in verbinding kan worden gebracht. (2) Een rechter die enkel bevoegd is om kennis te nemen van schadevorderingen uit een vermeende schending van de persoonlijkheidsrechten door de uitzending van een serie op televisie, kan kennisnemen van een vordering tegen de producent om aanspraak te maken op niet-geldelijke prestatie ter ongedaanmaking en voorkoming schending en geldelijke vergoeding voor immateriële schade.


Zaak C-232/25 Unsere Mütter, unsere Väter

 

Met hun verzoekschrift jegens verweerders U. en Z. hebben verzoekers Z.R. en Ś. vorderingen ingesteld wegens de aantasting van persoonlijkheidsrechten die voortvloeit uit aspecten van een serie waarvan verweerders de medeproducenten zijn. De litigieuze serie toont de lotgevallen van enkele personages, namelijk jonge Duitsers die een vriendengroep vormen, tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. De lotgevallen van een van de hoofdpersonages spelen zich gedeeltelijk af in Poolse gebieden ten tijde van de Duitse bezetting. Een wezenlijk aspect van de plot is een ontmoeting tussen dit personage en een tak van de ondergronds opererende militaire formatie waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben. In het kader van deze plotdraad wordt de houding van deze militairen ten aanzien van joden voorgesteld.


Verzoeker Z.R. - geboren in 1924 - was een gevangene in het kamp Auschwitz-Birkenau, was actief in de ondergrondse strijdkrachten en maakte onderdeel uit van de genoemde militaire formatie. Hij heeft deelgenomen aan talrijke acties om joden te redden en verborgen te houden. Na de oorlog is hij gearresteerd door de communistische autoriteiten en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar. Met antisemitisme van zijn formatie heeft hij persoonlijk nooit te maken gehad.


Verzoekster Ś. is een vereniging van voormalige leden van de militaire formatie en zet zich in om de waardigheid, de goede naam en de nagedachtenis van de formatie en haar leden te verdedigen.


In de motivering van het verzoekschrift staat te lezen dat de serie is uitgezonden op de Poolse televisie alsook op andere televisiezenders. Daarnaast kon en kan de serie in haar geheel alsook in fragmenten worden bekeken op het internet. Volgens verzoekers schildert de serie de leden van de formatie af als antisemieten, nationalisten en personen die met de Duitsers hebben gecollaboreerd in het kader van de Holocaust, wat een aantasting is van hun persoonlijkheidsrechten, zoals het recht op nationale trots, het recht op het cultiveren van een nationale identiteit, het recht op beleving van een onvervalste geschiedenis, het recht op waardigheid en goede naam en het recht op het dragen van een teken waardoor de betreffende militaire formatie wordt gesymboliseerd.

 

Gestelde vragen:

1)       Moet artikel 5, punt 3, van de [Brussel I-verordening], gelezen in samenhang met de overwegingen 11 en 12 ervan, aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van een lidstaat waar een cinematografisch werk is uitgezonden, die niet de staat is waar dat werk is geproduceerd, internationaal bevoegd zijn om kennis te nemen van een rechtsvordering wegens aantasting van persoonlijkheidsrechten door de inhoud van dat werk, in een situatie waarin aanspraak wordt gemaakt op:

a)       een niet-geldelijke prestatie die ertoe strekt de gevolgen van die aantasting weg te nemen, waaronder een bevel om door middel van een verklaring excuses aan te bieden op de televisiezenders waarop het werk is uitgezonden, ongeacht waar dat is geschied, alsook op het internet, en het bevel om elke uitzending van het werk op om het even welke plaats te laten voorafgaan door een passende verklaring, of

b)       een geldelijke prestatie (vergoeding) die ertoe strekt de volledige immateriële schade te herstellen die is geleden als gevolg van die aantasting, waaronder de verspreiding (uitzending) van het werk in andere lidstaten,

er rekening mee houdend dat:

–        het centrum van de belangen en de woonplaats (zetel) van verzoekers zich in die lidstaat [van verspreiding] bevinden;

–        verzoekers de aantasting van hun persoonlijkheidsrechten in verband brengen met de wijze waarop het werk de leden van een militaire formatie van die lidstaat (met de naam [...]) voorstelt, gelet op het feit dat een van de verzoekers lid van die formatie was en de andere een vereniging is van voormalige leden van die formatie, die met name als statutaire doelstelling heeft om de nagedachtenis, de historische waarheid en de waardigheid van de formatie te verdedigen;

–        de inhoud van het werk, waaronder de wijze waarop de leden van genoemde militaire formatie (genaamd [...]) daarin worden voorgesteld, objectief van wezenlijk belang is in de historische, culturele en maatschappelijke context van die lidstaat [van verspreiding]?

2)       Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 5, punt 3, van [de Brussel I-verordening], gelezen in samenhang met de overwegingen 11 en 12 ervan, aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van een lidstaat waar een cinematografisch werk is uitgezonden, die niet de staat is waar dat werk is geproduceerd, internationaal bevoegd zijn om kennis te nemen van een rechtsvordering wegens aantasting van persoonlijkheidsrechten door de inhoud van dat werk, in een situatie waarin aanspraak wordt gemaakt op:

a)       een niet-geldelijke prestatie die strekt tot het ongedaan maken van de gevolgen van die aantasting als gevolg van de uitzending van het werk in de lidstaat waar de rechtsvordering is ingesteld, waaronder een bevel om excuses aan te bieden in die lidstaat, evenals het bevel om elke uitzending van het werk in die staat te laten voorafgaan door een passende verklaring, of

b)       een geldelijke prestatie (vergoeding) die ertoe strekt de immateriële schade te vergoeden die als gevolg van die aantasting is geleden doordat het werk is verspreid (uitgezonden) in de lidstaat waar de rechtsvordering is ingesteld,

indien nodig rekening houdend met de omstandigheden waarnaar wordt verwezen in de eerste vraag, eerste tot en met derde gedachtestreepje?


Conclusie AG: B916878

 

Antwoord HvJEU:

1)      Artikel 5, punt 3, van [EEX-Vo Brussel-I] moet aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het centrum van de belangen van een natuurlijke of rechtspersoon is gelegen, niet bevoegd zijn om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de volledige schade die deze persoon heeft geleden als gevolg van een schending van zijn persoonlijkheidsrechten door de uitzending van audiovisuele inhoud op televisie in meerdere lidstaten. Hetzelfde geldt voor de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het centrum van de belangen van een natuurlijke persoon is gelegen wanneer de betreffende inhoud op internet is verspreid maar het niet mogelijk maakt om deze persoon te identificeren, zelfs niet indirect, hoewel de inhoud wel onmiskenbaar een beperkte groep identificeert waarvan de leden een gesloten categorie van personen vormen waarmee die persoon in verbinding kan worden gebracht. De rechterlijke instanties van de lidstaat waar het centrum van de belangen is gelegen van een rechtspersoon die als voornaamste taak heeft de belangen van deze groep te verdedigen, zijn daarentegen wel bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot vergoeding van de volledige schade die deze rechtspersoon heeft geleden als gevolg van een schending van de persoonlijkheidsrechten door de verspreiding van die audiovisuele inhoud op internet.

2)      Artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van een lidstaat die enkel bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen betreffende de schade die is veroorzaakt in de lidstaat waartoe zij behoren en die voortvloeit uit een vermeende schending van de persoonlijkheidsrechten door de uitzending van een serie op televisie, kennis kunnen nemen van een vordering tegen de producent van die serie waarbij aanspraak wordt gemaakt op een niet-geldelijke prestatie teneinde de gevolgen van een dergelijke schending ongedaan te maken en te voorkomen, alsmede op een geldelijke prestatie teneinde vergoeding te verkrijgen van de immateriële schade die voortvloeit uit de uitzending van deze serie. Hetzelfde geldt voor een vordering tegen deze producent waarbij aanspraak wordt gemaakt op een geldelijke prestatie ter vergoeding van de immateriële schade die voortvloeit uit de verspreiding van deze serie op internet. Deze rechterlijke instanties zijn daarentegen niet bevoegd om kennis te nemen van een vordering tegen die producent waarbij aanspraak wordt gemaakt op een niet-geldelijke prestatie tot rectificatie van de online geplaatste gegevens van die serie.

 


IEPT-versie volgt later
ECLI:EU:C:2026:494