2020 1e half jaar merkenrecht

Print this page

IEPT20200618, HvJEU, Primart v EUIPO

Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de argumenten van rekwirante betreffende het vermeende geringe onderscheidend vermogen van het oudere merk PRIMA niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat deze argumenten voor het eerst voor het Gerecht waren aangevoerd: de kamer van beroep heeft ambtshalve uitspraak gedaan over het intrinsieke onderscheidend vermogen van het oudere merk, waardoor rekwirante in staat moet worden gesteld hierop te reageren.  Onjuiste rechtsopvatting brengt vernietiging van het bestreden arrest met zich mee: het bestreden arrest kan slechts worden bevestigd indien de onjuiste opvatting volstrekt irrelevant is voor de uitkomst van de zaak, nu het onderscheidend vermogen van het oudere merk een van de relevante omstandigheden is bij het beoordelen van verwarringsgevaar kan niet worden uitgesloten dat het Gerecht tot een andere conclusie zou zijn gekomen indien het de argumenten van rekwirante ontvankelijk had geacht, zelfs indien het Gerecht ten overvloede de door rekwirante aangevoerde argumenten betreffende het geringe onderscheidend vermogen van het oudere merk als ongegrond heeft afgewezen, dient het bestreden arrest wegens ontoereikende motivering te worden vernietigd.

 

IEPT20200615, BenGH, SDC v EUIPO

Teken SPORTS DIRECT heeft van huis uit geen onderscheidend vermogen voor alle waren en diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd, met uitzondering van kerstartikelen en speelgoedtenten: woordcombinatie zowel beschrijvend voor sportkleding en sportartikelen als voor algemene categorieën van waren zoals kleding en accessoires die sportkleding en sportartikelen omvatten. Geen sprake van inburgering: merk vanaf 2009 niet gebruikt in Nederland, dat ruim 60% van het aantal inwoners van de Benelux omvat. Dat een wettelijk obstakel om het merk te gebruiken in het Nederlandse deel van de Benelux (wegens strijd met een oudere handelsnaam) ertoe leidt dat SDC merkbescherming in België en Luxemburg wordt onthouden is niet in strijd met de vrijheid van ondernemerschap ex artikel 16 van het Handvest: beperking is bij wet is gesteld en voldoet aan de door artikel 52 1id 1 van het Handvest aan zo'n beperking gestelde eisen.

 

IEPT20200612, Rb Midden-Nederland, de BouwApp v Bouwen.app

Teken en handelsnaam bouwen.app maken geen inbreuk op beeldmerk de BouwApp: vele punten van visueel verschil, auditief verschil, begripsmatige overeenstemming neutraliseert deze verschillen niet, zodat sprake is van een andere totaalindruk. Bouwen.app stemt ook niet verwarringwekkend overeen met handelsnaam de Bouwapp. Geen sprake van slaafse nabootsing van de BouwApp: voldoende afstand genomen om ervoor te zorgen dat het professionele publiek van eiseres niet in verwarring raakt, omwonenden krijgen informatie over welke App ze moeten installeren zodat ook bij hen verwarring niet snel op de loer ligt, zelfs als omwonenden de verkeerde app installeren is dat uit economisch oogpunt geen probleem voor de BouwApp nu de app voor deze gebruikers gratis is.

 

IEPT20200604, Rb Noord-Holland, SCHIP-aanpak

Aannemelijk dat certificeringswoordmerk “SCHIP” vervallen of nietig wordt verklaard in bodemprocedure: de Maatschap had geen certificeringsmerk mogen aanvragen, omdat zij ook zelf diensten verrichtte en verricht waarop het merk betrekking heeft (artikel 2.35bis(2) BVIE), overdracht certificeringsmerk aan Stichting voldoet alsnog niet aan eisen 2.35bis(2) BVIE, althans aan de ratio daarvan, nu de Stichting niet onafhankelijk van de Maatschap lijkt te zijn. Geen inbreuk op individueel woordmerk “SCHIP-aanpak”: uitleg op website gedaagde over wat SCHIP-aanpak inhoudt en dat zij getraind is in de SCHIP-aanpak betreft slechts beschrijvend gebruik en geen merkgebruik, wel merkgebruik waar gedaagde zichzelf gecertificeerd Schipmediator noemt, merk SCHIP-aanpak echter geregistreerd voor “Diensten door een psycholoog”, terwijl gedaagde geen diensten als psycholoog, maar als scheidingsbegeleider/mediator aanbiedt, waardoor geen sprake is van gelijke of overeenstemmende diensten. Als eiseressen wel een beroep op merkenrecht zou toekomen geen inbreuk: gedaagde heeft door de training die zij in 2017 heeft gevolgd en met het certificaat dat zij daarvoor heeft ontvangen het recht verkregen zich te profileren als (gecertificeerd) SCHIP-mediator, aan deze licentie zijn destijds geen voorwaarden verbonden, dus in beginsel als duurovereenkomst voor onbepaalde tijd te kwalificeren, gedaagde kan in ieder geval niet gedurende het lopende jaar het gebruik van het teken SCHIP in de aanduiding SCHIP-mediator worden ontzegd, gelet op (1) korte duur van periode die sinds afgeven van het certificaat is verstreken, (2) de communicatie over het gebruik van de aanduiding SCHIP-mediator, (3 ) de hap-snap wijze waarop het huidige licentieregime is geïntroduceerd en (4) omstandigheid dat de Maatschap zich daarbij van de onderhavige aspecten van de rechtsverhouding geen enkele rekenschap lijkt te hebben gegeven.

 

IEPT20200527, Rb Den Haag, Impossible Food v Nestle

Hoofdzaak inzake gestelde inbreuk op het Uniewoordmerk IMPOSSIBLE BURGER ex artikel 132 lid 1 UMVo geschorst wegens samenloop met een eerder door Nestlé ingestelde nietigheidsprocedure tegen dat merk bij het EUIPO: dat het EUIPO bij de toetsing van de geldigheid van de merken IMPOSSIBLE en IMPOSSIBLE SAUSAGE de Third Party Observations van Nestlé terzijde heeft gesteld, is onvoldoende om op voorhand evident te achten dat het EUIPO het Uniemerk geldig zal verklaren en daar in de onderhavige hoofdzaak ook vanuit te gaan. Procedure voor wat betreft de gevorderde voorlopige voorziening niet geschorst: in geval van schorsing van de procedure in de hoofdzaak, biedt artikel 132 lid 3 UMVo de rechtbank voor het Uniemerk de mogelijkheid voorlopige maatregelen te treffen. IMPOSSIBLE BURGER naar voorlopig oordeel een geldig merk: niet beschrijvend voor een generiek productkenmerk van de burger en geen algemeen aanprijzende woordcombinatie. Teken INCREDIBLE BURGER stemt verwarringwekkend overeen met het Uniewoordmerk IMPOSSIBLE BURGER ex artikel 9 lid 2 sub b UMVo: behoorlijke mate van visuele overeenstemming, zekere mate van fonetische overeenstemming, geringe mate van begripsmatige overeenstemming, IMPOSSIBLE BURGER heeft een gemiddeld onderscheidend vermogen, het relevante publiek heeft een relatief laag aandachtsniveau, de waren zijn volledig soortgelijk nu het in beide gevallen gaat om plantaardige burgers, er zijn bovendien reeds voorbeelden van daadwerkelijke verwarring, tussen partijen gevoerde onderhandelingen doen het vermoeden rijzen dat Nestlé bewust de lancering van de IMPOSSIBLE BURGER op de Europese markt heeft willen frustreren door zelf eerst een vergelijkbaar product op de markt te brengen met een overeenstemmende naam, Nestlé gebruikt het teken ter onderscheiding van haar waren. EU-wijd inbreukverbod bij voorlopige voorziening toegewezen ondanks grote gevolgen voor Nestlé: duidelijke inbreuk op merk waarmee Nestlé ruimschoots bekend was, geen aanleiding voor territoriale beperking.

 

IEPT20200520, Rb Den Haag, Casa v Interstyle

Procedure inzake gevorderd inbreukverbod op het Uniemerk CASA ex artikel 132 lid 1 UMVo geschorst wegens samenloop met eerder ingestelde nietigheidsprocedure tegen dat merk bij het EUIPO, geen bijzondere redenen die een voortzetting van de procedure rechtvaardigen. Geen grond voor schorsing van de procedure ten aanzien van de CASA-Beneluxmerken: geen vordering tot vervallen- of nietigverklaring, zelfs bij het aan het Uniemerk identieke Beneluxmerk geen mogelijkheid van onverenigbare beslissingen. Vorderingen gebaseerd op artikel 5a Hnw geschorst voor zover hieraan inbreuk op het Uniemerk ten grondslag ligt: grondslag impliceert geldigheid van het merk, hetgeen tot een onverenigbare beslissing met een beslissing in de procedure voor het Bureau kan leiden.

 

IEPT20200520, Rb Den Haag, Mediq v MedQ

Geen merkinbreuk sub b: visueel behoorlijke overeenstemming tussen merk en teken, maar de visuele overeenstemming wordt geneutraliseerd door de auditieve verschillen. Beeldmerk Mediq en logo MedQ verschillen visueel (nog) meer van elkaar. Gebruik teken MedQ in domeinnaam niet verwarrend aangezien bezoeker de domeinnaam niet op zichzelf staand zal beschouwen omdat aandacht wordt getrokken door het teken op de webpagina. Diensten die onder merk en teken worden aangeboden stemmen niet overeen. Indien diensten toch als soortgelijk aangemerkt worden, is van verwarringsgevaar geen sprake aangezien merk en teken beperkt overeenstemmen en het relevante publiek een hoog aandachtsniveau heeft. Geen merkinbreuk sub c: MedQ lift niet mee op reputatie Mediq; mate van overeenstemming is beperkt en Mediq heeft onvoldoende aangetoond dat er sprake is van verwatering. Verbod op gebruik handelsnaam op grond van artikel 5 en 5a afgewezen: geen gevaar voor verwarring tussen de twee handelsnamen ad artikel 5 Hnw. Eveneens geen sprake van inbreuk artikel 5a Hnw; zie het overwogene bij merkinbreuk sub b.

 

IEPT20200506, Rb Oost-Brabant, Gala v Xales

Xales heeft Beneluxmerken Pro 40 en Pro 50 te kwader trouw gedeponeerd: Xales wist of behoorde te weten dat Gala gelijke of overeenstemmende tekens gebruikte, Gala gebruikte deze tekens ter aanduiding van een product, geen sprake van voor-voorgebruik met een substantiële omvang, Xales had met het depot het oogmerk om Gala het gebruik van de aanduidingen te verhinderen. Merken nietig verklaard voor soortgelijke waren als die waarvoor Gala de tekens gebruikte: Gala heeft zich niet verweerd tegen het standpunt dat de nietigverklaring beperkt moet worden tot de producten die zowel Gala als Xales aanbieden. Artikel 1019h Rv niet van toepassing: onvoldoende onderbouwd dat de nietigheidsprocedure is gestart in verband met een concrete of concreet dreigende inbreukactie.

 

IEPT20200430, HvJEU, A

Een particulier die 710kg aan kogellagers die zonder toestemming van de merkhouder van een merk zijn voorzien en die vanuit een derde land naar zijn adres zijn verzonden, in ontvangst neemt, in een lidstaat in het vrije verkeer brengt en bewaart tegen vergoeding van een slof sigaretten en een fles cognac moet worden geacht het merk in het economische verkeer te gebruiken: gelet op hun aard en hun volume zijn de waren kennelijk niet bestemd voor particulier gebruik zodat de handelingen die betrekking hebben op die waren moeten worden geacht verband te houden met een handelsactiviteit,  dat een persoon dergelijke waren heeft ingevoerd en in het vrije verkeer heeft gebracht, volstaat voor de vaststelling dat hij aan het economische verkeer heeft deelgenomen, er komt geen relevantie toe aan de omvang van de vergoeding die de importeur heeft ontvangen als tegenprestatie voor zijn activiteiten.

 

IEPT20200424, HR, het Bureau v UvA

Cassatie BBIE tegen oordeel hof Amsterdam dat het woordmerk AMSTERDAM UNIVERSITY ten onrechte is geweigerd voor niet aan onderwijs gerelateerde waren en diensten verworpen: nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen behoeft dit oordeel ex artikel 81 RO geen nadere motivering.

 

IEPT20200423, HvJEU, Gömböc

Onderzoek of een teken uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen hoeft niet te worden beperkt tot de grafische voorstelling van dit teken: ook andere gegevens zoals informatie over de perceptie van het betrokken teken door het doelpubliek kunnen worden gebruikt om de wezenlijke kenmerken ervan vast te stellen, bij het onderzoek of deze kenmerken beantwoorden aan een technische functie kunnen gegevens die niet uit de grafische voorstelling van het teken blijken slechts in aanmerking worden genomen voor zover die gegevens voortkomen uit objectieve en betrouwbare bronnen en niet uit de perceptie van het teken door het doelpubliek. De weigeringsgrond voor tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft, is niet beperkt tot de vorm van waren die uitsluitend een artistieke of sierwaarde hebben: de perceptie of de kennis die het doelpubliek heeft van de waar - in casu is de vorm het symbool geworden van een wiskundige ontdekking - kan in aanmerking worden genomen om een wezenlijk kenmerk van die vorm vast te stellen. De weigeringsgrond voor tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft, moet niet systematisch worden toegepast op tekens die worden beschermd door het modelrecht: dat de verschijningsvorm van een waar wordt beschermd als model sluit inschrijving als merk niet uit. Hetzelfde geldt voor tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm van een siervoorwerp: geenszins uitgesloten dat de wezenlijke waarde van dergelijke artikelen voortvloeit uit andere factoren dan de vorm zoals met name de ontstaansgeschiedenis, de wijze van vervaardiging, de gebruikte materialen en de identiteit van de ontwerper.

 

IEPT20200417, HR, Spinmaster v High5

In het belang der wet ingesteld cassatieberoep tegen een vonnis waarin de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam zich bevoegd achtte kennis te nemen van op een gemeenschapsmodel gebaseerde vorderingen, verworpen: het HvJEU heeft geoordeeld (IEPT20191121) dat artikel 90 lid 1 van de Gemeenschapsmodellenverordening bepaalt dat de rechtbanken van de lidstaten die bevoegd zijn voorlopige of beschermende maatregelen te bevelen voor een nationaal model, tevens bevoegd zijn dergelijke maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid van rechtbanken in kort geding inzake Uniemerken: hierover kan gelet op de gelijkluidende artikelen redelijkerwijs geen twijfel meer bestaan.

 

IEPT20200415, Rb Den Haag, Fossil v ITG

ITG maakt inbreuk op Michael Kors-merken ex artikel 9 lid 2 sub a UMVo en 2.20 lid 2 sub a BVIE nu voldoende aannemelijk is dat voor haar bestemde op Schiphol onderschepte horloges namaak betreffen: tegenover de door licentienemer Fossil concreet aangewezen verschillen tussen horloges uit de zendingen aan ITG en originele horloges heeft ITG onvoldoende aangevoerd, door de weigering van groothandels om papieren af te geven moet ITG alle reden hebben gehad aan de aan de authenticiteit van de door haar geïmporteerde horloges te twijfelen. Gevorderde winstafdracht toegewezen: nu ITG zich bewust moest zijn van het risico dat de door haar ingekochte horloges namaak zijn, heeft zij te kwader trouw inbreuk gemaakt op de Michael Kors-merken.

 

IEPT20200408, Rb Den Haag, Silk Cosmetics v White Sea International

Verbodsvordering inbreuk merken in verstekvonnis afgewezen: eiserers geen toestemming merkhouder om in een procedure een verbodsvordering ten aanzien van de merken in te stellen (art. 25 lid 3 UMVo).

 

IEPT20200402, HvJEU, Coty v Amazon

Amazon maakt geen inbreuk op merken Coty door voor een derde parfums in opslag te hebben die inbreukmakend blijken te zijn: het hof heeft in haar rechtspraak reeds benadrukt dat “gebruik” een actieve gedraging in het kader van de eigen commerciële communicatie en een rechtstreekse of indirecte controle over de handeling waarin het gebruik bestaat vereist, alvorens de opslag van waren die zijn voorzien van aan merken gelijke of daarmee overeenstemmende tekens kan worden gekwalificeerd als “gebruik” van die tekens, is het noodzakelijk dat de marktdeelnemer die de opslag verricht zelf het voornemen heeft om de waren aan te bieden of in de handel te brengen.

 

IEPT20200326, HvJEU, AR v Cooper

Merkenrechtlijn staat toe dat merkhouder wiens rechten vervallen zijn verklaard wegens het ontbreken van normaal gebruik, het recht behoudt op schadevergoeding wegens het verwarringwekkend gebruik van een overeenstemmend teken door een derde daterend van vóór de datum van vervallenverklaring: merkhouder heeft binnen de respijtperiode van vijf jaar om merk te gaan gebruiken - ook zonder gebruik - een uitsluitend recht, merkenrichtlijn heeft de nationale wetgever alle vrijheid gelaten om de datum vast te stellen waarop het verval van een merk rechtsgevolgen heeft, dat een merk niet is gebruikt vormt op zich geen beletsel voor een vergoeding wegens merkinbreuken, maar is wel een belangrijk element waarmee rekening moet worden gehouden om bestaan en omvang schade te bepalen.

 

IEPT20200325, Rb Den Haag, Coty v Easycosmetic

Coty heeft gegronde reden zich verzetten tegen gebruik van haar merken op de verpakkingsdozen van Easycostetics, dat parfums verhandelt die met toestemming in de EER zijn gebracht: door het qua lettertype en kleur integreren van de merken met de huisstijl van Easycosmetic, en de prominente plaats van haar handelsnaam en slogan omringd door al die merken, wordt de reputatie van die merken toegetrokken naar Easycosmetic, dit overhevelen van de aantrekkingskracht en de reputatie van de merken naar Easycosmetic is zodanig dat daarmee bij het publiek - dat niet gewend is aan deze wijze van adverteren - de suggestie kan worden gewekt van een economische band met de merkhouder, het merkgebruik gaat daarmee verder dan het aankondigen van de verdere verhandeling van uitgeputte waar en daarmee verder dan het bereiken van het doel van de uitputtingsregel, dat het klanten niet uit zou maken of Easycosmetic al dan niet een economische band met de merkhouder heeft, doet niet af aan het gerechtvaardigde belang van Coty, dat heeft gekozen voor een selectief distributiestelsel en de onterechte indruk van een dergelijke band met Easycosmetic wil vermijden.

 

IEPT20200312, Rb Gelderland, Heksenkaas v Kühlmann

Verpakking HEKS’NKAAS smeerdip kan functioneren als merk: het samenstel van de verschillende elementen van de verpakking schept een duidelijk herkenbaar beeld van het product dat een duidelijke indruk achterlaat, waarmee de verpakking van de HEKS’NKAAS smeerdip zich duidelijk onderscheidt van andere soortgelijke dip en smeerproducten. Verpakking smeerdip Dip & Smeer’m maakt hierop inbreuk ex art 2.20 lid 1 sub b BVIE: waren in ieder geval overeenstemmend, totaalindruk van beide verpakkingen is hetzelfde nu beide bestaan uit transparante plastic kuipjes met daarop een deksel met overstekende rand en een kartonnen banderol met in cartoonachtige stijl getekende afbeeldingen van ingrediënten in dezelfde kleuren, verwarringsgevaar nog versterkt door grote onderscheidende kracht van het bekende HEKS’NKAAS, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat het woordelement Dip & Smeer’m zo dominerend is dat dit het verwarringsgevaar absorbeert. Ex artikel 1019h Rv gevorderde proceskosten van in totaal ruim 37 duizend euro niet gecompenseerd: nu Kühlmann na beëindiging samenwerking met HEKS’NKAAS is overgegaan tot de productie van een soortgelijke smeerdip met inbreukmakende verpakking is aannemelijk dat zij bewust heeft willen profiteren van het succes van HEKS’NKAAS en is het redelijk dat de kosten voor haar rekening en risico komen.

 

IEPT20200311, Rb Noord-Nederland, RAI v Auto Aanpassing

Benelux woordmerk “AUTO AANPASSERS NEDERLAND” nietig: beschrijvend voor kenmerk waren en diensten, het aanpassen van auto’s in/vanuit Nederland. Benelux woordmerk “A.A.N.” geldig: lettercombinatie niet direct aan de beschrijvende woorden waarvan zij de afkorting vormen te koppelen. Benelux woordmerk A.A.N. normaal gebruikt: afgelopen vijf jaren normaal gebruikt door leden RAI op website autoaanpassers.nl, als keurmerk, op beurzen en op/in eigen bedrijfslocaties. Merk kan niet aan Auto Aanpassing Noord Nederland worden tegengeworpen: op moment dat zij gewraakte tekens is gaan gebruiken (15 juli 2016) was merk A.A.N. van RAI door verstrijken geldigheidsduur vervallen, waardoor sprake is van ouder recht (artikel 2.23(2) BVIE). RAI aan te merken als onderneming in de zin van de handelsnaamwet door gebruik door leden. Artiestenverloningen-arrest (IEPT20151211) van toepassing op handelsnamen. Handelsnaam “AUTO AANPASSERS NEDERLAND” zuiver beschrijvend en geen bijkomende omstandigheden. Geen verwarringsgevaar tussen niet zuiver beschrijvende handelsnaam “A.A.N.” en “AANN”: hoewel partijen in zelfde branche en (onder meer) in zelfde geografische gebied opereren en handelsnamen slechts één letter verschillen, vermeldt Auto Aanpassing Noord Nederland in al haar communicatie echter haar volledige handelsnaam naast de afkorting AANN, al dan niet onder toevoeging domeinnaamextensie .nl, dus wordt de afkorting niet zelfstandig gebruikt.

 

IEPT20200311, Rb Den Haag, Nikon v Primary Holdings

Rechtbank komt niet terug op bindende eindbeslissing dat zij bevoegd is: toestemming verleend voor tussentijds appel van het vonnis in het bevoegdheidsincident en appel is ingesteld door PHL, daargelaten of dan verzoek PHL om terug te komen op eindbeslissing in strijd is met gesloten stelsel van rechtsmiddelen is niet gebleken dat beslissing op onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. Vordering om provisioneel verbod niet alleen voor duur van de bodemprocedure, maar ook voor een eventueel hoger beroep toe te wijzen wordt afgewezen. Testaankopen van door Primary Holdings in Nederland verkochte camera’s niet uitgeput: gelet op serienummers voor het eerst in Japan respectievelijk China op de markt gebracht, aankoop via eBay betekent niet zonder meer dat Nikon toestemming voor verhandeling in EER heeft gegeven, niet aannemelijk dat op haar Europese website voortdurend aangeboden producten met toestemming van Nikon in EER zijn gebracht. Ook als wel sprake zou zijn van uitputting kan Nikon zich op grond van artikel 15(2) UMeV verzetten tegen verdere verhandeling: testaankopen in zodanig gebrekkige wijze geleverd dat toestand van de waren, nadat zij in handel zijn gebracht, zijn gewijzigd en verslechterd.


IEPT20200311, Rb Den Haag, Gallup

Benelux woordmerken GALLUP van Gallup Group niet vervallen wegens niet normaal gebruik, artikel 2.27 lid 2 BVIE jo 2.23bis lid 1 BVIE: nog steeds mogelijk dat merkgebruik voor de liquidatie van de Belgische vennootschap  doch tijdens relevante periode, heeft plaatsgevonden, de aard van de waren diensten en de eigenschappen van het publiek, brengen mee dat ondanks enkel de Engelse taal gehanteerd wordt, er sprake is van normaal gebruik in de Benelux, het ondervragen van de werknemers waarbij wordt gevraagd naar hun opvattingen over de betreffende onderneming en hun werk, valt onder opinie-onderzoek en daarmee normaal merkgebruik, merk gebruikt voor onderzoek dat is gericht op Nederland, merk gebruikt voor commerciële exploitatie. Het gebruikt van het merk voor opiniepeilingen is ook van belang voor de vraag of sprake is van normaal gebruik voor marktonderzoek: een houder van een merk mag niet elke bescherming worden ontzegd voor diensten die niet strikt gelijk zijn aan die waarvoor normaal gebruik is bewezen, maar daarvan niet wezenlijk verschillen.

 

IEPT20200306, HR, Epal v PHZ

Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over verzet op grond van een collectief merk en artikel 13(2) GMeV tegen de verdere verhandeling van door een niet-licentienemer gerepareerde merkproducten 

 

IEPT20200305, HvJEU, Halloumi v EUIPO

Rechtspraak over verwarringsgevaar ook van toepassing indien het oudere merk een collectief Uniemerk is waarvan de wezenlijke functie erin bestaat de waren of diensten van de leden van een vereniging te onderscheiden van die van andere ondernemingen: geen van de kenmerken van collectieve Uniemerken rechtvaardigt afwijking. Ook als het collectieve Uniemerk HALLOUMI impliciet verwijst naar de Cypriotische geografische herkomst van de betrokken waren, is onderscheidend vermogen vereist: geen andere beoordeling bij vaststellen onderscheidend vermogen ouder collectief Uniemerk bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen wijzen op de plaats van herkomst van de waren of diensten. Gerecht heeft onderscheidend vermogen van HALLOUMI niet te laag ingeschat: na analyse van bewijs objectief vastgesteld dat de term “halloumi” een bepaalde soort kaas aanduidt die volgens een bijzonder recept wordt geproduceerd en dat het onderscheidend vermogen van een dergelijk merk, dat zich beperkt tot het aanduiden van een productsoort, zwak is. Ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van verwarringsgevaar tussen HALLOUMI en BBQLOUMI omdat het bestaan van een zekere mate van visuele, fonetische en begripsmatige overeenstemming niet zou volstaan om te concluderen tot verwarringsgevaar met een ouder merk met zwak onderscheidend vermogen: zwak onderscheidend vermogen sluit het bestaan van verwarringsgevaar niet uit, niet voldaan aan het vereiste van een globale beoordeling waarbij er rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang van de relevante factoren.

 

IEPT20200304, HvJEU, EUIPO v Equivalenza Manufactory

Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de fase van de beoordeling van de overeenstemming van de conflicterende tekens rekening te houden met de omstandigheden waaronder de betrokken waren in de handel worden gebracht:  in rechtspraak van het HvJEU zijn die omstandigheden weliswaar uiteenlopend toegepast bij hetzij de beoordeling van de overeenstemming van de conflicterende tekens hetzij de globale beoordeling van het verwarringsgevaar, inaanmerkingneming van de omstandigheden waaronder de betrokken waren in de handel zijn gebracht behoort echter tot de fase van de beoordeling van het verwarringsgevaar en niet tot die van de beoordeling van de overeenstemming van de conflicterende tekens, welke moet worden gemaakt in het licht van de intrinsieke kwaliteiten van de conflicterende tekens. Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de fonetische overeenstemming wordt  geneutraliseerd door het begripsmatige verschil en vervolgens af te zien van beoordeling verwarringsgevaar: alleen in het uitzonderlijke geval waarin ten minste één van de conflicterende tekens in de ogen van het relevante publiek een duidelijke, vaste en onmiddellijk begrijpelijke betekenis heeft kan worden afgezien van de beoordeling van verwarringsgevaar op grond dat deze tekens ondanks het bestaan van bepaalde elementen van visuele of fonetische overeenstemming ervan door de uitgesproken begripsmatige een andere totaalindruk oproepen, geenszins vastgesteld dat hier sprake van is. EUIPO heeft terecht geconcludeerd dat verwarringsgevaar bestaat tussen het aangevraagde beeldteken BLACK LABEL by equivalenza en het beeldmerk LABELL: gemiddelde mate van visuele overeenstemming, gemiddelde mate van fonetische overeenstemming, begripsmatig verschil niet van dien aard dat de overeenstemming wordt geneutraliseerd, gemiddeld onderscheidend vermogen, gemiddeld aandachtsniveau van het relevante publiek, waren gelijk, aanwezigheid van de termen “black” en “by equivalenza” niet voldoende om verwarringsgevaar uit te sluiten.

 

IEPT20200304, HvJEU, Tulliallan Burlington v EUIPO

Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een ex artikel 8 lid 5 Uniemerkenverordening (bekende merken) ingestelde oppositie af te wijzen wegens ontbreken elementen die wijzen op vermindering van de “aantrekking” van de oudere merken: artikel biedt bescherming tegen (i) afbreuk aan het onderscheidend vermogen van het oudere merk, (ii) afbreuk aan de reputatie van dat merk en (iii) ongerechtvaardigd voordeel uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van dat merk. Met de ambigue verwijzing van het Gerecht naar een eventuele vermindering van de “aantrekking” van de oudere merken kan niet met zekerheid worden bevestigd dat het daadwerkelijk heeft nagegaan of sprake is van een van die drie inbreuken. Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te constateren dat het ontbreken van enige specifieke aanduiding inzake de waren die kunnen worden verkocht in de verschillende winkels waaruit een winkelgalerij als de door de oudere merken aangeduide winkelgalerij bestaat, in de weg stond aan elke associatie tussen deze winkels en de door de aangevraagde merken aangeduide waren: in het Praktiker-arrest (IEPT20050707) is weliswaar geoordeeld dat van de aanvrager dient te worden verlangd dat hij de waren of soorten waren waarop deze diensten betrekking hebben specificeert, dit arrest heeft geen betrekking op bescherming die wordt verleend door op de datum van dat arrest ingeschreven merken zoals de merken in casu, uit het arrest blijkt bovendien niet dat een oppositie ex artikel 8 lid 1 onder b  Uniemerkenverordening meteen kan worden afgewezen door eenvoudigweg te stellen dat er geen enkele specifieke aanduiding is van de waren waarop de onder het oudere merk aangeboden detailhandelsdiensten betrekking kunnen hebben.

 

IEPT20200227, HvJEU, Fack Ju Gothe

Gerecht mocht oordeel dat het teken “Fack Ju Göhte” in strijd is met de goede zeden ex artikel 7 lid 1 onder f Uniemerkenverordening niet enkel op het intrinsiek vulgaire karakter van deze Engelse uitdrukking baseren: strijd met goede zeden vereist dat het teken in strijd is met de fundamentele morele waarden en normen waaraan een bepaalde samenleving op een gegeven moment belang hecht, hierbij moet worden uitgegaan van de perceptie van een redelijke persoon met een gemiddelde gevoeligheids- en tolerantiedrempel, rekening houdend met de context waarin met het merk in aanraking kan worden gekomen en de bijzondere omstandigheden zoals wetteksten en administratieve praktijken, de publieke opinie en de wijze waarop het relevante publiek in het verleden op dat teken of op overeenstemmende tekens heeft gereageerd. De omstandigheid dat het merk zelf moet worden onderzocht betekent niet dat bij dit onderzoek contextuele elementen die helderheid kunnen verschaffen over de wijze waarop het relevante publiek dit merk opvat - zoals de omstandigheid dat het teken “Fack Ju Göhte” overeenkomt met de titel van een door rekwirante geproduceerde succesvolle film, de omstandigheid dat de titel ervan geen aanleiding lijkt te hebben gegeven tot controverse, het feit dat de film goedgekeurd was voor een jong publiek en het feit dat het Goethe-Institut de film voor pedagogische doeleinden gebruikt - buiten beschouwing kunnen worden gelaten, vrijheid van meningsuiting speelt ook binnen merkenrecht. EUIPO heeft niet rechtens genoegzaam aangetoond dat het merk in strijd is met de goede zeden: het geheel van de contextuele elementen wijst er eensluidend op dat de titel van de film niet als moreel onaanvaardbaar werd beschouwd door het algemene Duitstalige publiek, geen enkel concreet element naar voren gebracht om op plausibele wijze te verklaren dat het publiek gebruik van het teken als merk wel zou opvatten als strijdig met de fundamentele morele waarden en normen van de samenleving.

 

IEPT20200225, Rb Den Haag, Nordic Fire v Pelletkachel Lemmer

Voldoende spoedeisend belang bij vorderingen Nordic Fire, hoewel Pelletkachel Lemmer geen WENDY kachels meer verhandelt: Pelletkachel Lemmer niet bereid onthoudingsverklaring te tekenen en uitdrukkelijk gesteld dat zij geen inbreuk heeft gemaakt op IE-rechten Nordic Fire. WENDY kachel maakt inbreuk op STYLO kachel: STYLO kachel auteursrechtelijk beschermd: gelet op overgelegde afbeeldingen van diverse pelletkachels die qua uiterlijke vormgeving van elkaar verschillen is aannemelijk dat ontwerpen STYLO ten aanzien van bijvoorbeeld vormgeving van de lijsten, keuze voor rechthoekige vormen, positie venster, vorm en positie van het rooster en vormgeving van de hendel keuzes zijn gemaakt die niet uitsluitend technisch bepaald zijn. Door producent Paterno aan Pelletkachel Lemmer verkochte kachels (die later als WENDY kachels zijn verkocht) niet uitgeput: verklaring producent bevestigt expliciet dat Nordic Fire auteursrechthebbende is, dat Paterno nimmer toestemming heeft gehad om STYLO kachels aan anderen dan Nordic Fire te verkopen en dat zij geen toestemming had om STYLO kachels in het verkeer te brengen, geen economische verbondenheid waardoor sprake zou zijn van impliciete toestemming om kachels in het verkeer te brengen, nu geen sprake is van gemeenschappelijk auteursrecht of een distributieovereenkomst tussen Paterno en Nordic Fire. Geen verboden afscherming van de markt: Paterno is geen wederverkoper van Nordic Fire, maar productent die producten voor haar vervaardigt. Inbreuk op niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel STYLO: STYLO kachels als niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel beschermd, verwezen wordt naar motivering auteursrechtelijke bescherming, niet weersproken dat WENDY kachels namaak zijn ex artikel 19(2) GMoV. Inbreuk op foto’s STYLO kachel: creatieve keuzes gelet op gebruikte compositie, foto’s door Pelletkachel Lemmer verveelvoudigd. Inbreuk op teksten Nordic Fire: Creatieve keuzes ten aanzien van woordkeuze, zinsopbouw, lengte teksten, teksten verveelvoudigd doordat teksten pelletkachel Lemmer in grote mate overeenstemmen met teksten Nordic Fire. Aanprijzing “Gelijk aan Nordic Fire Stylo” maakt inbreuk op merk NORDIC FIRE: gelet op auteursrecht- en merkinbreuk sprake van misleidende, niet objectieve vergelijking waarbij referentie aan merk NORDIC FIRE oneerlijk voordeel voor Palletkachel Lemmer oplevert, geen toegestane vergelijkende reclame.

 

IEPT20200221, Rb Den Haag, Viking v Strongviking

Strongviking-tekens maken inbreuk op Viking-merken ex artikel 9 lid 2 sub b UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE: Viking-merken hebben van huis uit een normaal onderscheidend vermogen viking niet beschrijvend is voor schaatsen, schaatskleding en accessoires, merken hebben sterke onderscheidende kracht verkregen door gebruik, relevante publiek is breder georiënteerd dan alleen op specifieke schaatsartikelen, waren Stongviking (sportkleding en -accessoires) in hoge mate soortgelijk aan schaatsen, schaatskleding en accessoires, visuele overeenstemming gelegen in het woord ‘viking’, aanzienlijke mate van auditieve overeenstemming, grote mate van begripsmatige overeenstemming, hierdoor ontstaat verwarringsgevaar.

 

IEPT20200219, Rb Den Haag, Crossfit

Onvoldoende onderbouwd dat CROSSFIT een bekend merk is ex artikel 9 lid 2 sub c UMVo: nagelaten om nader toe te lichten en te onderbouwen dat het merk in de Europese Unie bekendheid geniet. Teken The CrossBox maakt geen  inbreuk op woordmerk CROSSFIT ex artikel 9 lid 2 sub b UMVo: woordmerk heeft van huis uit beperkt onderscheidend vermogen nu de onderdelen ‘cross’ en ‘fit’ in relatie tot die diensten een tamelijk generiek en tot op zekere hoogte beschrijvend karakter hebben, onvoldoende onderbouwd dat onderscheidend vermogen sterk is toegenomen door gebruik, gelijkenis met betrekking tot het weinig onderscheidende element cross levert beperkte mate van overeenstemming op, betoog dat sprake is van begripsmatige overstemming nu ‘box’ zou verwijzen naar een Crossfit-trainingsruimte verworpen nu ‘box’ geen deel uitmaakt van merkinschrijving, gelijkheid diensten is gelet op beperkt onderscheidend vermogen en beperkte mate van overeenstemming onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van verwarringsgevaar.  CROSSFIT staat niet open voor vervallenverklaring wegens verwording tot soortnaam: merkhouder niet verplicht een generieke naam te verschaffen ter aanduiding van de aangeboden diensten, onvoldoende onderbouwd dat CrossFit geen redelijke inspanningen heeft verricht om haar merk te handhaven.

 

IEPT20200212, Rb Noord-Holland, Rataplan Beheer v Kringloopwinkel Alkmaar

Aanvankelijk door Kringloopwinkel Alkmaar gevoerde Adword advertentie doet afbreuk aan merk “RATAPLAN”: normaal geïnformeerde en redelijk oplettende internetgebruiker kan op basis van advertentielink en daaraan gekoppelde reclameboodschappen niet weten of Kringloopwinkel Alkmaar derde is ten opzichte van Rataplan Beheer dan wel een economische band met haar heeft. In kort geding niet vast te stellen of Kringloopwinkel Alkmaar in strijd met haar toezeggingen inbreuk maakt op merk- en handelsnaamrechten Rataplan Beheer. Gelet op inbreuk in recente verleden en weigering om deugdelijke onthoudingsverklaring te tekenen wordt vordering tot niet inkopen naam “Rataplan” als zoekwoord in Google Adwords toegewezen: zonder getekende onthoudingsverklaring met boetebeding bestaat nog steeds voldoende serieuze dreiging tot verder onrechtmatig handelen.    

 

IEPT20200211, Rb Oost-Brabant, Inbreukmakende advertentie

In beginsel merkinbreuk: [gedaagde] heeft voor verkoop producten onder merken [D] en [E] gebruik gemaakt van advertenties waarin kledingaccessoires onder woord-/beeldmerk van [eiseres] worden aangeboden. Onvoldoende aannemelijk  dat gewraakte advertenties reeds bij aanvang betrekking hadden op producten die werden aangeboden onder merk [eiseres] en niet op producten die [eiseres] aanvankelijk onder merken [D] en [E] en pas later bij wijziging van de content op het bestaande EAN-nummer onder het merk [eiseres] is gaan aanbieden: [eiseres] stelt per 1 juli 2019 de producten uit de gewraakte advertenties onder zelfde EAN-nummers te gebruiken, maar uit door [eiseres] overgelegde advertenties van [gedaagde] is niet op te maken of dit dezelfde EAN-nummers betreft, [eiseres] heeft erkend dat zij met rebrandingbeleid op basis van een reeds eerder aan een product toegekende EAN-nummer de aan dit nummer gekoppelde productinformatie heeft aangepast, het gaat in totaal om duizenden producten.

 

IEPT20200211, Rb Den Haag, Jami v Dominidesign

Dominidesign stoel maakt inbreuk op auteursrecht Orange Slice stoel: vrijwel alle kenmerkende trekken overgenomen nu beide stoelen worden gevormd door twee identieke gestoffeerde schelpen die zijwaarts omhoog krullen en samen een kuip vormen op een onderstel van dunne poten die schuin naar beneden uitlopen. Dominidesign maakt door gebruik van het teken Orange Slice inbreuk op het Uniewoordmerk Orange Slice ex artikel 9 lid 2 sub a UMVo: identiek teken gebruikt voor identieke waren. Ook inbreuk ex artikel 9 lid 2 sub b UMVo wegens verwarringsgevaar door gebruik teken Slice: redelijke mate van auditieve, visuele en begripsmatige overeenstemming nu het teken exact hetzelfde is als het tweede woord van het Uniemerk, Uniemerk heeft zeer groot onderscheidend vermogen, sprake van gelijke diensten. Bestuurder aansprakelijk voor door Dominidesign gepleegde auteursrechtinbreuk: sprake van willens en wetens inbreuk maken.

 

IEPT20200129, HvJEU, Sky v SkyKick

Gemeenschapsmerk of een nationaal merk kan niet geheel of gedeeltelijk nietig worden verklaard als  termen die zijn gebruikt ter aanduiding van de waren en diensten waarvoor het merk is ingeschreven, onvoldoende duidelijk en nauwkeurig zijn: onduidelijkheid en onnauwkeurigheid van de termen die worden gebruikt ter specificatie van de waren en diensten maakt geen deel uit van uitputtende lijst van absolute nietigheidsgronden, in IP-Translator-arrest (IEPT20120619) is geen aanvullende nietigheidsgrond erkend, onvoldoende duidelijke en nauwkeurige specificatie valt niet onder vereiste van grafische voorstelling, ontbreken duidelijkheid en nauwkeurigheid niet in strijd met de openbare orde. Merkaanvraag zonder enig voornemen het merk te gebruiken voor de in de inschrijving aangeduide waren en diensten levert pas een handeling te kwader trouw op indien de aanvrager van dat merk de bedoeling had om afbreuk te doen aan de belangen van derden op een wijze die niet strookt met de eerlijke gebruiken, dan wel om – zelfs zonder een derde in het bijzonder op het oog te hebben – een uitsluitend recht te verkrijgen voor andere doeleinden dan die welke vallen onder de functies van een merk: kwade trouw van de aanvrager kan niet worden vermoed louter op basis van de vaststelling dat hij op het moment van indiening van zijn inschrijvingsaanvraag geen economische activiteit uitoefende die overeenstemt met de in die aanvraag aangeduide waren en diensten. Wanneer het voornemen om een merk overeenkomstig de wezenlijke functies ervan te gebruiken enkel ontbreekt voor bepaalde in de merkaanvraag aangeduide waren of diensten, levert die aanvraag enkel voor die waren of diensten een handeling te kwader trouw op.

 

IEPT20200129, Rb Amsterdam, Just Brands v Outfittery

Outfittery maakt inbreuk ex artikel 2.20 lid 2 sub b op Vanguard-beeldmerk: beroep op bewust gedogen onvoldoende onderbouwd, visuele overeenstemming tussen merk en teken, diensten zijn soortgelijk nu beide partijen zich richten op verkoop herenkleding, verwarringsgevaar wordt versterkt door wijze waarop merk en teken worden gebuikt.

 

IEPT20200129, Rb Gelderland, Motech v Motech

Handelsnaam Autobedrijf Motech maakt inbreuk op handelsnaam Motech: verschil in logo’s neemt niet weg dat de auditieve gelijkenis maakt dat bij publiek de indruk kan ontstaan dat het om dezelfde handelsnaam gaat, aard ondernemingen gelijk nu beide onderhoudsdiensten aanbieden, enkele feit dat de ondernemingen in respectievelijk Arkel en Zevenaar zijn gevestigd onvoldoende om verwarringsgevaar weg te nemen gelet op landelijke activiteit. Autobedrijf Motech maakt ook inbreuk op merk Motech: eventueel eerder gebruik door eerstgenoemde staat aan de geldigheid van het merk niet in de weg, beroep op ouder recht van plaatselijke betekenis faalt nu Autobedrijf Motech haar handelsnaam niet rechtmatig voerde, sprake van verwarringsgevaar ex artikel 2.20 lid 2 sub b nu sprake is van overeenstemmende tekens voor gelijke diensten. Gewijzigde namen Mtech en M-tech maken geen inbreuk: gezien het duidelijke begripsmatige en auditieve verschil, de slechts beperkte visuele overeenstemming en het beperkte onderscheidend vermogen is er geen verwarringsgevaar te duchten.

 

IEPT20200128, Hof Den Haag, H&M v Adidas 

Work Out-kleding van H&M maakt geen als door Adidas omschreven inbreuk op drie-strepenmerk: verbod gevraagd voor ieder gebruik van een motief van twee verticaal en parallel lopende strepen, die op gelijke afstand van elkaar lopen en een gelijke breedte hebben en waarbij de tussenruimte tussen de strepen visueel min of meer gelijk is aan de breedte van de strepen, die zijn aangebracht over de gehele lengte van de zijkant van de schouders, mouwen en/of broekspijpen van een kledingstuk, en die zijn uitgevoerd in een met de basiskleur van het kledingstuk contrasterende kleur, tussenruimte tussen de twee strepen op de Work Out-kleding niet visueel min of meer gelijk aan de breedte van de strepen. Inbreukverbod alsnog afgewezen: geen inbreuk of concrete dreiging van inbreuk, hetgeen overigens niet betekent dat geen enkel twee-strepenteken inbreuk zou maken. Hof overweegt ten overvloede dat de Work Out-kleding ook afgezien van de door Adidas aangebrachte beperking geen inbreuk sub b maakt: zeer geringe overeenstemming tussen merk en teken nu totaalbeeld Adidas-merken wordt bepaald door patroon welke in Work Out-kleding ontbreekt, hierdoor is ook als wordt aangenomen dat Adidas een bekend merk is met een grote beschermingsomvang en dat sprake is van (soort)gelijke waren geen sprake van verwarringsgevaar, marktonderzoeken doen daar niet aan af. Ook geen sprake van inbreuk sub c: onvoldoende onderbouwd gelet op eisen die hier door HvJEU aan worden gesteld.

 

IEPT20200124, HR, Spirits v FKP

In het principale beroep kunnen de klachten niet tot vernietiging van dat arrest leiden (artikel 81(1) RO). Incidenteel beroep tot vernietiging van de proceskostenveroordeling van € 40.000 volgens indicatietarieven complexe zaak slaagt: gelet op complexiteit van de zaak, omvang processtukken in hoger beroep en niet bestreden kostenspecificaties kan bedrag van maximaal €  40.000 volgens de Indicatietarieven niet als ‘een significant en passend deel van de redelijke kosten’ van FKP in hoger beroep worden beschouwd. Hoge Raad wijst €  80.000 toe. Proceskostenveroordeling principale cassatieberoep 1,5x maximumtarief (€ 40.000) voor complexe zaak vermeerderd met bedragen voor dupliek en Borgersbrief (€ 5.000): € 65.000. Geen kostenveroordeling incidentele cassatieberoep: incidenteel beroep betreft enkel toe te wijzen proceskosten, hetgeen niet onder bereik artikel 1019h Rv valt, maar onder liquidatietarief, gelet op kostenveroordeling principale beroep geen aanleiding daarboven het bedrag van het liquidatietarief toe te wijzen.

 

IEPT20200124, Rb Midden-Nederland, TePe

Voorzieningenrechter rechtbank Midden-Nederland relatief bevoegd om van de op het Uniemerk van het Zweedse TePe gebaseerde vorderingen kennis te nemen: gelet op HvJEU Spin Master (IEPT20191121) inzake Uniemodellenverordening moet artikel 3 van de (niet aan de Uniemerkenverordening aangepaste) Uitvoeringswet inzake het Gemeenschapsmerk, dat bepaalt dat voor alle vorderingen in kort geding uitsluitend de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bevoegd is, buiten toepassing blijven. TePe kan zich op grond van haar Uniemerken verzetten tegen ompakken van ragers die door haar in Nederland in de handel zijn gebracht bij verkoop aan tandartspraktijken en door gedaagde in andere aantallen aan de consument worden verkocht nu niet is voldaan aan de voorwaarden uit HvJEU Boehringer (IEPT20070426): het is de vraag of jurisprudentie die ompakken onder bepaalde voorwaarden toestaat van toepassing is op de onderhavige situatie nu het niet gaat om een geval waarbij producten in een andere lidstaat in het verkeer zijn gebracht en omgepakt moeten worden om deze in Nederland te kunnen verhandelen, bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat ompakken noodzakelijk is om de producten te verhandelen, lange tijd is niet vermeld wie het product heeft omgepakt en geproduceerd, TePe is niet van het ompakken op de hoogte gesteld.

 

IEPT20200123, BenGH, Les Castarts v KS Warenhaus

Oppositie tegen depot woord/beeldmerk CASTART op grond van Uniewoordmerk KARSTADT ongegrond: zeer beperkte mate van visuele overeenstemming, auditieve overeenstemming voor groot deel publiek afwezig door fonetische uitspraak als ‘kas-taar’ versus ‘kar-stat’ en voor overige deel publiek beperkt, begripsmatige overeenstemming niet aan de orde, hoge mate van soortgelijkheid tussen de waren en diensten waarvoor het merk is ingeschreven en de waren en diensten waarvoor het teken is gedeponeerd, algemene indruk merk en teken ondanks beperkte overeenkomsten zo verschillend dat geen gevaar van (reëel) direct of indirect verwarringsgevaar kan worden aangenomen.

 

IEPT20200117, Rb Den Haag, Jumatech v Asperitas

Asperitas maakt inbreuk op merken Jumatech nu zij door haar ontwikkelde modules met vloeistofkoelingsysteem waarop de merken van Jumatech zijn aangebracht toont in beeldmateriaal nadat de samenwerking is beëindigd: nu merk zichtbaar is in video’s die Asperitas gebruikt om te laten zien wat zij in huis heeft is sprake van gebruik in het economisch verkeer voor waren en diensten, sprake van verwarringsgevaar nu het logo dat in de video’s wordt getoond identiek is aan het logo uit het Uniebeeldmerk van Jumatech en Asperitas waren en diensten aanbiedt die gelijk zijn aan een deel van de waren en diensten waarvoor het merk is ingeschreven, voor zover sprake was van toestemming strekt deze zich niet uit tot na beëindiging samenwerking, en tot gebruik voor Asperitas zelf.

 

IEPT20200110, HR, Epal v PHZ

Hoge Raad voornemens prejudiciële vragen te stellen over verzet op grond van een collectief merk en artikel 13(2) GMeV tegen de verdere verhandeling van door een niet-licentienemer gerepareerde merkproducten. Partijen mogen zich uitlaten over te stellen vragen.

 

IEPT20200108, Rb Den Haag, Expert

Logo en teken OUTLETEXPERT maken inbreuk op beeldmerken Expert: gelet op punten van overeenstemming, omstandigheid dat aangeboden waren en diensten identiek zijn en de beeldmerken groot onderscheidend vermogen hebben kan het teken bij het publiek de suggestie van economische verbondenheid wekken. Eveneens sprake van inbreuk op handelsnaam Expert: toevoeging outlet onvoldoende om verwarringsgevaar weg te nemen nu publiek hierdoor juist kan denken dat het gaat om outlet van Expert.

 

IEPT20200107, Rb Den Haag, Café Franklin v The Franklin Group

The Franklin Group maakt met het gebruik van het teken FRANKLIN voor een hotel, brasserie en cocktailbar inbreuk ‘sub a’ op het Beneluxmerk FRANKLIN van een café-restaurant: teken identiek aan merk, diensten exact hetzelfde als die waarvoor het merk is ingeschreven. Inbreuk ‘sub b’ door gebruik teken Sir Franklin: publiek niet meer dan gemiddeld oplettend, sterke visuele en auditieve overeenstemming door dominante en onderscheidende element FRANKLIN. Ook gebruik Sir Franklin in combinatie met voorvoegsel boutiquehotel, brasserie of cocktailbar maakt inbreuk: voorvoegsels beschrijvend voor de diensten waar het om gaat.