Artikel 84 - Vordering of reconventionele vordering tot nietigverklaring van een Uniemodel
Print this page
1. Een vordering of reconventionele vordering tot nietigverklaring van een Uniemodel kan slechts op de in artikel 25 genoemde nietigheidsgronden steunen.
2. In de in artikel 25, leden 2, 3, 4 en 5, bedoelde gevallen, kan de rechtsvordering of reconventionele vordering slechts worden ingesteld door degene die daartoe krachtens die bepalingen het recht heeft.
3. Indien de reconventionele vordering wordt ingesteld in een procedure waarin de houder van het Uniemodel nog geen partij is, wordt hij daarvan in kennis gesteld en kan hij zich in het geding voegen overeenkomstig de bepalingen van het recht van de lidstaat waar zich de rechtbank bevindt.
4. De geldigheid van een Uniemodel mag niet worden aangevochten in een procedure betreffende een vordering tot vaststelling van niet-inbreuk.
5. De rechtbank voor het Uniemodel waarbij een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Uniemodel is ingesteld, gaat niet over tot het onderzoek van de reconventionele vordering voordat de belanghebbende partij of de rechtbank het Bureau in kennis heeft gesteld van de datum van instelling van de reconventionele vordering. Het Bureau maakt hiervan melding in het register overeenkomstig artikel 72, lid 3, punt q). Indien bij het Bureau een vordering tot nietigverklaring van het ingeschreven Uniemodel was ingesteld alvorens de reconventionele vordering werd ingesteld, wordt de rechtbank door het Bureau hiervan in kennis gesteld en wordt de procedure overeenkomstig artikel 91, lid 1, geschorst totdat de beslissing over de vordering in kracht van gewijsde is gegaan of de vordering is ingetrokken.
6. Indien bij een rechtbank voor het Uniemodel een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Uniemodel wordt ingesteld, kan deze rechtbank op verzoek van de houder van het ingeschreven Uniemodel, en na de andere partijen te hebben gehoord, de procedure schorsen en de gedaagde uitnodigen om binnen een door hem te bepalen termijn bij het Bureau een vordering tot nietigverklaring in te stellen. Indien deze vordering niet binnen de bepaalde termijn wordt ingesteld, wordt de procedure voortgezet en de reconventionele vordering wordt dan als ingetrokken beschouwd. Artikel 91, lid 3, is van toepassing.