Artikel 34

Print this page

  weegschaal.png

 

1. Ten behoeve van een civiele procedure met betrekking tot de inbreuk op de rechten van de houder bedoeld in artikel 28, eerste lid, letter b, hebben de rechterlijke autoriteiten, indien het onderwerp van een octrooi een werkwijze voor de verkrijging van een produkt is, de bevoegdheid de verweerder te gelasten aan te tonen dat de werkwijze om een identiek produkt te verkrijgen, verschilt van de geoctrooieerde werkwijze. De Leden dienen derhalve in ten minste één van de onderstaande omstandigheden te bepalen dat een identiek produkt, wanneer het is verkregen zonder de toestemming van de houder van het octrooi, bij gebreke van bewijs van het tegendeel, wordt geacht te zijn verkregen door middel van de geoctrooieerde werkwijze:
a. indien het door middel van de geoctrooieerde werkwijze verkregen produkt nieuw is;
b. indien het in hoge mate waarschijnlijk is dat het identieke produkt werd verkregen door middel van de werkwijze en de houder van het octrooi niet in staat is geweest door redelijke inspanningen de feitelijk gebruikte werkwijze vast te stellen.


2. Het staat een Lid vrij te bepalen dat de in het eerste lid genoemde bewijslast alleen op de vermeende inbreukmaker rust indien is voldaan aan de in letter a bedoelde voorwaarde of alleen indien is voldaan aan de in letter b bedoelde voorwaarde.


3. Bij het aanvoeren van bewijs van het tegendeel dient rekening te worden gehouden met de legitieme belangen van de verweerder bij de bescherming van zijn fabrieks- en handelsgeheimen.