A-G concludeert tot vernietiging van oordeel hof inzake begripsmatige overeenstemming Heksenkaas en Witte Wievenkaas

26-01-2018 Print this page
B915267
(Met dank aan Tobias Cohen Jehoram, De Brauw Blackstone Westbroek)

Merkenrecht. Conclusie van A-G Van Peursem in drie merkenrechtelijke oppositieprocedures, waarin de houder van het Benelux woordmerk HEKSENKAAS bezwaar maakt tegen inschrijving van Benelux woord- en woord-/beeldmerken WITTE WIEVENKAAS voor soortgelijke waren. Het BBIE heeft de oppositie afgewezen, oordelend dat de tekens visueel, auditief en begripsmatig niet overeenstemmen. Het hof den Haag heeft deze beslissing vernietigd en de oppositie alsnog toegewezen (IEPT20170228). Volgens het hof stemmen de onderscheidende en dominante bestanddelen "heksen" en "witte wieven" begripsmatig overeen en behoren "heksen" en "witte wieven" beide tot de uitzonderlijke categorie bovennatuurlijke magische vrouwelijke verschijningen met een negatieve connotatie. Visueel en auditief is er volgens het hof een geringe overeenstemming. Mede gelet op de omstandigheid dat de waren identiek, althans soortgelijk zijn, acht het hof verwarringsgevaar aanwezig. Van Peursem concludeert tot vernietiging en terugverwijzing nu volgens hem de motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat een substantieel deel van het publiek bekend is met de betekenis van het begrip "witte wieven", terecht is voorgesteld:

 

“2.4 Bij- eerste beschouwing spreekt de benadering van het hof in deze zaak mij minder aan dan die van het Bureau. Op het gevaar af dat dit een staaltje eigen "persoonlijke smaak" is: Ik betwijfel of het naast elkaar gebruiken van HEKSENKAAS en WITIE WIEVENKAAS voor vergelijkbare smeersels of dips in de praktijk zal leiden tot verwarringsgevaar bij de gemiddelde consument (ook al realiseer ik mij dat in deze oppositieprocedure uitsluitend de merken zoals deze zijn ingeschreven van belang zijn, vgl. verweerschrift FFF in appel onder 3). Het is ook de vraag of een substantieel deel van het Benelux publiek überhaupt bekend is met de term "witte wieven", laat staan met de door het hof aangenomen betekenis "veelal geïsoleerd levende vrouwelijke magische wezens met veelal kwaadaardige bedoelingen, die angst inboezemen en daarmee als een soort heksen". Ikzelf- opgegroeid in het Oosten des lands - moet bij de term witte wieven direct (en alleen) denken aan mistflarden of mistbanken, vooral bij het ochtendgloren of in de avondschemering, een betekenis die ook is terug te vinden op het internet. […]

 

2.13 Subonderdeel 1.3 richt een motiveringskiacht tegen het oordeel van het hof in rov. 12 dat een substantieel deel van het relevante publiek bekend is met de betekenis van "witte wieven".
2.14 Het hof motiveert dit oordeel als volgt:  

(1) dit zou volgen uit de stukken waarop Levola haar stelling over de betekenis van het begrip "witte wieven" baseert;

(2) het relevante publiek zal een betekenis hechten aan tot het normale taalgebruik behorende aanduidingen;

(3) ook iemand die niet bekend is met de bovennatuurlijke, magische kenmerken die de witte wieven in volksverhalen bezitten, zal op zijn minst weten dat de term "witte wieven" verwijst naar fictieve vrouwelijke wezens en dat die term een negatieve connotatie heeft, en dat zowel merk en teken- als geheel beschouwd- dus zullen worden begrepen als een kaas die is gemaakt van, voor en/of door een fictief vrouwelijk wezen met een negatieve connotatie

 

2.15 Een mogelijke lezing is dat dit feitelijke oordeel van het hof wel te volgen is, gelet op de bijgebrachte bronnen, maar ik denk dat de klacht hier toch de vinger op de zere plek legt. Uit deze motivering volgt namelijk niet dat een substantieel deel van het relevante publiek bekend is met het begrip "witte wieven". FFF voert in haar verzoekschrift onder 30 volgens mij terecht aan dat de door Levola overgelegde stukken alleen zien op de betekenis van "witte wieven" en niet op de verspreiding of bekendheid van het begrip Aangezien FFF uitdrukkelijk heeft betwist dat het begrip "witte wieven" bekendheid geniet onder het relevante publiek17, lag het op de weg van Levola om te onderbouwen en zonodig te bewijzen dat (een aanmerkelijk deel van) het relevante publiek wel bekend is met de term. Zij had hiertoe bijvoorbeeld een rapport van een marktonderzoeksbureau kunnen overleggen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Dat een term voorkomt in het Groot Woordenboek der Nederlandse taal en/of wordt genoemd in de on-line encyclopedie Wikipedia, betekent anders dan Levola (en mogelijk ook het hof) lijkt te veronderstellen, niet (per definitie) dat het relevante publiek ook bekend is met de term. Dat in dit geval het relevante publiek bekend is met de door het hof geformuleerde betekenis van "witte wieven" ligt daarnaast ook niet direct voor de hand, omdat deze term meerdere betekenissen heeft (zie hiervoor onder 2.4). De motiveringskiacht lijkt mij dan ook terecht voorgesteld.”

 

B920180126, FFF v Levola, Conclusie A-G I

B920180126, FFF v Levola, Conclusie A-G II

B920180126, FFF v Levola, Conclusie A-G III