HvJEU: Het bestaan van andere modellen niet doorslaggevend bij beoordeling techniekexceptie Gemeenschapsmodel

Print this page 09-03-2018
IEPT20180308, HvJEU, Doceram v CeramTec

Voor de beoordeling of uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie van dat voortbrengsel worden bepaald, is niet doorslaggevend of er alternatieve modellen zijn, maar moet worden nagegaan of die functie de enige factor is die bepalend was voor die kenmerken. Bij de beoordeling of een voortbrengsel uitsluitend door technische functie wordt bepaald dient de nationale rechter rekening te houden met alle objectieve omstandigheden: waaruit blijkt waarom is gekozen voor bepaalde uiterlijke kenmerken van het betrokken voortbrengsel, gegevens met betrekking tot het gebruik van dat voortbrengsel of de vraag of er alternatieve modellen zijn waarmee dezelfde technische functie kan worden vervuld, mits die omstandigheden, gegevens of alternatieven worden onderbouwd door betrouwbaar bewijs, maar in dit verband hoeft niet te worden uitgegaan van de perceptie van een “objectieve waarnemer”

 

MODELRECHT  

 

Zie voor de feiten in de procedure en de prejudiciële vragen dit Boek9 bericht. Zie voor de conclusie van A-G Saugsmandgaard Øe, deze link.  

Het Hof volgt de A-G in de beoordeling dat de theorie van de veelheid aan verschijningsvormen geen hoofdrol speelt bij de uitlegging van artikel 8 lid 1 van de Gemeenschapsmodellenverordening om te beoordelen of de desbetreffende uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie van het voortbrengsel worden bepaald. Naar het oordeel van het hof komt uit deze verordening niet naar voren dat de omstandigheden dat er alternatieve modellen zijn waarmee dezelfde technische functie als die van het betrokken voortbrengsel kan worden vervuld, het enige criterium is aan de hand waarvan kan worden bepaald of dat artikel van toepassing is. 

 

Indien deze theorie van veelheid van verschijningsvormen wel voldoende is om de toepassing van artikel 8 lid 1 van de verordening uit te sluiten, kan niet worden uitgesloten dat een ondernemer meerdere denkbare vormen van een voortbrengsel met uitsluitend een technisch bepaald uiterlijk als gemeenschapsmodel zal inschrijven met als doel de exclusieve bescherming te krijgen die door een octrooi wordt geboden, met als gevolg dat concurrenten een voortbrensel met bepaalde functionaliteiten niet kunnen aanbieden of dat er minder technische oplossingen mogelijk zijn.  

Volgens het Hof moet er op de eerste vraag worden beantwoord dat voor de beoordeling of uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie worden bepaald moet worden nagegaan of die functie de enige factor is die bepalend was voor die kenmerken en dat in dit verband niet doorslaggevend is dat er andere modellen zijn. 

 

Bij de beoordeling of de desbetreffende uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie van dat voortbrengsel worden bepaald, hoeft naar het oordeel van het Hof niet te worden uitgegaan van de perceptie van een “objectieve waarnemer”. De nationale rechter dient bij de beoordeling of de desbetreffende uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie wordt bepaald, rekening te houden met alle relevante objectieve omstandigheden van het specifieke geval. De vraag of er alternatieve modellen zijn waarmee dezelfde technische functie kan worden vervuld kan hierbij een rol spelen mits die omstandigheden gegevens of alternatieven worden onderbouwd door betrouwbaar bewijs.   

 

Op de tweede vraag moet volgens het Hof worden geantwoord dat voor de beoordeling of de desbetreffen uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie van dat voortbrengsel worden bepaald, de nationale rechter rekening dient te houden met alle relevante objectieve omstandigheden van het specifieke geval. Van de perceptie van de “objectieve waarnemer” hoeft niet te worden uitgegaan.
 

IEPT20180308, HvJEU, Doceram v CeramTec

 

C-395/16 - ECLI:EU:C:2018:172