Cassatieberoep verworpen (artikel 81(1) RO): De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Hoger beroep van het arrest van het hof van 29 januari 2019. In dat arrest heeft het hof bepaald dat aan de Charly-stoel van Montis geen auteursrechtelijke bescherming meer toekomt nu geen instandhoudingsverklaring is afgelegd na verval van het modelrecht op die stoel. Het non-discriminatiebeginsel dat is neergelegd in artikel 18 VWEU maakt dat oordeel niet anders. Het HvJEU heeft geoordeeld dat het auteursrecht niet herleefd nu artikel 21 lid 3 en artikel 24 (oud) BTMW zijn vervallen. Daarbij heeft Montis onvoldoende onderbouwd dat de stoel op 1 juli 1995 in Duitsland en Frankrijk voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kwam, waardoor het beroep op artikel 51 lid 1 Aw moet worden afgewezen. Ten slotte heeft Montis geen gegronde reden om zich te verzetten tegen de verdere verhandeling van de door Klaver herstelde Charly-stoelen.
In dit cassatieberoep oordeelt de Hoge Raad dat de klachten op grond van artikel 81(1) RO niet kunnen leiden tot vernietiging van het arrest van het Hof. De klachten zien op de vraag of sprake is of was van auteursrechtelijke bescherming van de Charly-stoelen, en vraagt dus een oordeel omtrent de feiten van de zaak.
IEPT20201009, HR, Montis v Klaver
Anouck Bakhuis