Online platformen verrichten zelf geen mededeling aan het publiek

22-06-2021 Print this page
Auteur:
Birgit Kunst-Verboon
IEPT20210622, HvJEU, YouTube

Bij de huidige stand van het Unierecht verrichten de exploitanten van onlineplatformen in beginsel zelf geen mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn van auteursrechtelijk beschermde content die hun gebruikers illegaal online plaatsen: gebruikers verrichten zelf een ‘handeling bestaande in een mededeling’ nu zij zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid handelen, enkele omstandigheid dat het gebruik van een platform noodzakelijk is om het publiek toegang te verlenen tot het werk is niet voldoende om aan te nemen dat exploitant van onlineplatform zelf ook een ‘handeling bestaande in een mededeling’ verricht, exploitant van onlineplatform deelt deze content wel in strijd met het auteursrecht aan het publiek mee indien hij niet louter platform ter beschikking stelt, maar daarnaast met volle kennis van de gevolgen van zijn handelswijze intervenieert om het publiek toegang tot die content te verlenen, weloverwogen karakter van interventie kan blijken uit het niet nemen van passende technische maatregelen die van een normaal behoedzame marktdeelnemer in zijn situatie kunnen worden verwacht om op geloofwaardige en doeltreffende wijze auteursrechtinbreuken tegen te gaan of indien exploitant op andere wijze het delen van illegale content bewust stimuleert, enkele omstandigheid dat exploitant in zijn algemeenheid op de hoogte is van het feit dat illegale content op zijn platform beschikbaar is volstaat niet om te oordelen dat sprake is van weloverwogen interventie, tenzij rechthebbende exploitant daarvan in kennis heeft gesteld en hij niet prompt de nodige maatregelen neemt om die content ontoegankelijk te maken, winstoogmerk is geen doorslaggevende omstandigheid. Exploitant van onlineplatform kan zich op de vrijstelling van aansprakelijkheid neergelegd in artikel 14 lid 1 onder a) van de Richtlijn inzake elektronische handel beroepen als hij geen actieve rol speelt waardoor hij kennis heeft van of controle heeft over de op zijn platform geüploade content: als wel sprake is van dergelijke kennis is gaat een beroep op de vrijstelling van aansprakelijkheid niet op. Artikel 8 lid 3 Auteursrechtrichtlijn verzet zich er niet tegen dat de houder van een auteurs- of naburig recht krachtens het nationale recht slechts een verbod kan verkrijgen ten aanzien van een tussenpersoon wiens dienst door een derde werd gebruikt om inbreuk te maken op zijn recht zonder dat deze tussenpersoon daarvan kennis had, indien deze inbreuk vóór het begin van de gerechtelijke procedure aan de tussenpersoon werd gemeld en deze niet prompt heeft gehandeld om te inbreuk te beëindigen: zonder een dergelijke voorwaarde zou de exploitant gedwongen zijn om actief toezicht te houden op door gebruikers van het platform geüploade content teneinde te vermijden dat hij met verbodsmaatregelen en de daaraan verbonden kosten geconfronteerd wordt, voorwaarde is verenigbaar met artikel 15 lid 1 Richtlijn inzake elektronische handel.

 

AUTEURSRECHT

 

Uit het perscommuniqué: "In het geding dat ten grondslag ligt aan de eerste zaak (C-682/18) heeft Frank Peterson, een muziekproducent, YouTube en haar wettelijke vertegenwoordiger Google gedagvaard voor de Duitse rechterlijke instanties omdat in 2008 verschillende fonogrammen waarop hij naar eigen zeggen verschillende rechten heeft, op YouTube zijn geplaatst. Deze fonogrammen zijn door gebruikers van dit platform zonder zijn toestemming online geplaatst. Het gaat om muziekstukken van het album A Winter Symphony van de artieste Sarah Brightman en particuliere audio-opnamen die zijn gemaakt tijdens haar concertenreeks „Symphony Tour”.

 

In het geding dat ten grondslag ligt aan de tweede zaak (C-683/18) heeft de uitgeverij Elsevier bij de Duitse rechterlijke instanties een zaak aanhangig gemaakt tegen Cyando omdat verschillende werken waarop Elsevier de exclusieve rechten bezit, in 2013 op Cyando’s host- en deelplatform voor bestanden Uploaded zijn geplaatst. Deze werken zijn door gebruikers van dit platform zonder haar toestemming online geplaatst. Het gaat om de werken Gray’s Anatomy for Students, Atlas of Human Anatomy en Campbell-Walsh Urology, die via de linkverzamelingen rehabgate.com, avaxhome.ws en bookarchive.ws. op Uploaded konden worden opgevraagd. Het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), dat in deze twee gedingen uitspraak moet doen, heeft een aantal prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd. Het verzoekt het Hof onder meer om nadere uitleg over de aansprakelijkheid van exploitanten van onlineplatformen met betrekking tot auteursrechtelijk beschermde werken die door de gebruikers van die platformen illegaal worden geüpload. Het Hof onderzoekt deze aansprakelijkheid in het licht van de regeling die van toepassing was ten tijde van de feiten en die voortvloeit uit richtlijn 2001/29 betreffende het auteursrecht, richtlijn 2000/31 inzake elektronische handel, en richtlijn 2004/48 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten. De prejudiciële vragen hebben geen betrekking op de regeling die daarna in werking is getreden bij richtlijn 2019/790 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt.

 

[...]

 

In de eerste plaatst onderzoekt het Hof of de exploitant van een videodeelplatform of een host- en deelplatform voor bestanden – waarop gebruikers beschermde content illegaal beschikbaar kunnen stellen voor het publiek – in omstandigheden als in deze zaken aan de orde zijn, zelf een „mededeling aan het publiek” van die content verricht in de zin van richtlijn 2001/29. Allereerst herinnert het Hof aan de doelstellingen en de definitie van het begrip „mededeling aan het publiek” alsook aan de aanvullende criteria die in aanmerking moeten worden genomen bij de individuele beoordeling die dit begrip vereist. Tot die criteria behoren volgens het Hof de centrale rol van de exploitant van het platform en het weloverwogen karakter van zijn interventie. Deze exploitant verricht namelijk een „mededeling” wanneer hij met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze intervenieert om zijn gebruikers toegang te verlenen tot een beschermd werk, met name wanneer die gebruikers zonder die interventie in beginsel geen toegang zouden hebben tot het verspreide werk. In dit verband is het Hof van oordeel dat de exploitant van een videodeelplatform of een host- en deelplatform voor bestanden, waarop gebruikers beschermde content illegaal beschikbaar kunnen stellen voor het publiek, die content niet aan het publiek meedeelt in de zin van richtlijn 2001/29, tenzij hij niet louter het platform ter beschikking stelt, maar er daarnaast toe bijdraagt dat het publiek in strijd met het auteursrecht toegang tot die content wordt gegeven. Dit is met name het geval wanneer die exploitant concreet weet dat beschermde content op onwettige wijze op zijn platform beschikbaar wordt gesteld en deze content niet prompt verwijdert of de toegang ertoe niet prompt blokkeert, of wanneer die exploitant, hoewel hij weet of behoort te weten dat beschermde content in het algemeen via zijn platform door gebruikers ervan illegaal beschikbaar voor het publiek wordt gesteld, niet de passende technische maatregelen treft die van een normaal behoedzame marktdeelnemer in zijn situatie kunnen worden verwacht, om op geloofwaardige en doeltreffende wijze inbreuken op het auteursrecht op dat platform tegen te gaan, of nog wanneer deze exploitant deelneemt aan de selectie van beschermde content die illegaal aan het publiek wordt meegedeeld, op zijn platform hulpmiddelen aanbiedt die specifiek bedoeld zijn om dergelijke content illegaal te delen of het delen van die content bewust stimuleert, wat kan blijken uit de omstandigheid dat die exploitant een bedrijfsmodel hanteert dat de gebruikers van zijn platform aanspoort om beschermde content illegaal op dat platform mee te delen aan het publiek.

 

In de tweede plaats onderzoekt het Hof of een exploitant van onlineplatformen in aanmerking komt voor de in richtlijn 2000/31 inzake elektronische handel bedoelde vrijstelling van aansprakelijkheid voor beschermde content die door gebruikers via zijn platform illegaal aan het publiek wordt meegedeeld. In deze context onderzoekt het Hof of deze exploitant een neutrale rol speelt, met andere woorden of hij louter technische, automatische en passieve handelingen verricht, hetgeen inhoudt dat hij geen kennis heeft van of controle heeft over de content die hij opslaat, dan wel of hij juist een actieve rol speelt, waardoor hij kennis heeft van of controle heeft over die content. In dit verband is het Hof van oordeel dat deze exploitant kan worden vrijgesteld van aansprakelijkheid, mits hij geen actieve rol speelt waardoor hij kennis heeft van of controle heeft over de op zijn platform geüploade content. Het Hof preciseert in dit verband dat de exploitant, om te worden uitgesloten van de vrijstelling van aansprakelijkheid waarin de richtlijn voorziet, kennis moet hebben van de concrete onwettige handelingen van zijn gebruikers met betrekking tot op zijn platform geüploade beschermde content.

 

In de derde plaats preciseert het Hof onder welke voorwaarden rechthebbenden krachtens richtlijn 2001/29 een verbod kunnen laten opleggen aan exploitanten van onlineplatformen. Zo oordeelt het Hof dat deze richtlijn er niet aan in de weg staat dat de houder van een auteursrecht of een naburig recht krachtens het nationale recht slechts een verbod kan verkrijgen ten aanzien van de exploitant wiens dienst door een derde werd gebruikt om inbreuk te maken op zijn recht zonder dat deze exploitant daarvan kennis had in de zin van richtlijn 2000/31 , indien die inbreuk vóór het begin van de gerechtelijke procedure aan die exploitant werd gemeld en deze niet prompt heeft gehandeld om de betrokken content te verwijderen of ontoegankelijk te maken en om ervoor te zorgen dat die inbreuken zich niet opnieuw voordoen. Het is echter de taak van de nationale rechterlijke instanties om zich bij de toepassing van deze voorwaarde ervan te vergewissen dat die niet ertoe leidt dat de daadwerkelijke beëindiging van de inbreuk zodanig wordt uitgesteld dat die rechthebbende onevenredige schade lijdt."

 

Lees het volledige communiqué hier.

 

IEPT20210622, Hof van Justitie EU, Youtube

 

ECLI:EU:C:2021:503 - C-682/18 en C-683/18