Gedaagde hoeft geen (hoofd)onderwerp te zijn om onder verbod te vallen

08-05-2024 Print this page
IEPT20240411, Rb Amsterdam, Antisemitistische publicaties

Executiegeschil inzake gegeven verbod (IEPT20180507) om naam van gedaagde te noemen waarin zijn persoon in verband met antisemitisme wordt gebracht. Gedaagde hoeft niet (hoofd)onderwerp te zijn van een (toekomstig) artikel om onder het verbod te vallen. Na attenderen is artikel direct verwijderd. Door langer dan 7 dagen te wachten of er sprake was van overtreding mede door vakantie van de deurwaarder, is totaal van verbeurde dwangsommen onnodig hoog opgelopen. Terugbetaling van deel dat ten onrechte op zijn uitkering is ingehouden. 

 

EXECUTIEGESCHIL


Heeft eiser dwangsommen verbeurd wegens het overtreden van het in het vonnis van de kantonrechter van 7 mei 2018 gegeven verbod. Er is geen plaats voor een (verkapt) hoger beroep, maar kan uitsluitend worden getoetst of met het artikel ‘[titel artikel] ’ in strijd is met het verbod van de kantonrechter en dwangsommen heeft verbeurd.


Het vonnis van de kantonrechter moet worden uitgelegd wat valt onder ‘publicaties met betrekking tot [gedaagde]’. Het door de kantonrechter uitgesproken verbod ziet op artikelen waarin [gedaagde] met naam wordt genoemd en waarin zijn persoon ten onrechte in verband wordt gebracht met, kort gezegd, antisemitisme.

 

Niet nodig is dat het artikel hoofdzakelijk over [gedaagde] gaat, hij hoeft dus niet ‘het (hoofd)onderwerp’ van het artikel te zijn om onder het verbod te kunnen vallen. Evenmin is vereist dat de naam van [gedaagde] in de titel van het artikel wordt genoemd, dat zijn portretrecht wordt geschonden, dat zijn adresgegevens worden vermeld en/of dat zijn persoonlijke levenssfeer wordt geschaad. Dergelijke eisen heeft de kantonrechter niet gesteld in zijn vonnis. Verder is niet als voorwaarde gesteld dat het artikel makkelijk vindbaar moet zijn op het internet om onder het verbod te kunnen vallen. Het verbod kan daarnaast ook zien op toekomstige publicaties. Doel van het vonnis van de kantonrechter en het daarin opgenomen verbod is om [eiser] te laten stoppen met zijn beschuldigingen aan het adres van [gedaagde] en het telkens weer in verband brengen van [gedaagde] met antisemitisme.


De rechtbank constateert dat het artikel niet hoofdzakelijk over [gedaagde] gaat, maar dat zijn naam niettemin daarin wel wordt genoemd. [eiser] brengt [gedaagde] daarbij onmiskenbaar in verband met antisemitisme gelet op de volgende twee passages uit het artikel: "de antisemitische hetze van [gedaagde]" en "[gedaagde], de Führer van de CIDI-Jugend". Van een overduidelijke, niet serieus te nemen evidente grap of van een satirische opmerking is daarbij geen sprake. Ook als bestuurslid van CIJO had [gedaagde] zich het noemen van zijn naam in dit artikel op een dergelijke wijze niet hoeven te laten welgevallen.

 

De naam van gedaagde is per ongeluk genoemd in een bijzin onderaan het artikel. Eiser had al zijn artikelen zorgvuldig moeten controleren op het op verboden wijze vermelden van de naam.


Niet kan worden geoordeeld dat [gedaagde] geen enkel te respecteren belang heeft bij de executie van het vonnis van de kantonrechter. [eiser] heeft het door de kantonrechter uitgesproken verbod overtreden en heeft dwangsommen verbeurd.


Eiser heeft onbetwist gesteld dat hij het bewuste artikel direct van zijn website heeft afgehaald nadat hij er door de deurwaarder op was geattendeerd dat het artikel (onbedoeld) voor het publiek toegankelijk was. Gelet hierop had het van [gedaagde], of diens deurwaarder wiens handelwijze aan [gedaagde] kan worden toegerekend, mogen worden verwacht om zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 7 dagen aan [eiser] kenbaar te maken dat er sprake was van een geconstateerde overtreding van het verbod en dat daarom aanspraak wordt gemaakt op verbeurde dwangsommen.


Door hier langer mee te wachten, mede door de vakantie van de deurwaarder of aldaar werkzame personen, is het totaal aan verbeurde dwangsommen onnodig hoog opgelopen. Door in dit geval desondanks aanspraak te blijven maken op meer dan 7 dagen aan verbeurde dwangsommen, totaal neerkomend op een bedrag van € 11.375 (7x € 1.625,-), maakt [gedaagde] misbruik van zijn bevoegdheid tot het mogen executeren van het vonnis van de kantonrechter.

 

De rechtbank veroordeelt gedaagde het executoriale derdenbeslag onder UWV op te heffen, veroordeelt gedaagde de executie te staken, betaling aan eiser van €16.200,40 vanwege teveel ingehouden op uitkering van eiser aan dwangsommen.


ECLI:NL:RBAMS:2024:2060