HR 81 RO – Uitlatingen Zembla en geïnterviewde deskundigen over storting granuliet niet onrechtmatig
15-10-2025 Print this page
De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand dat de uitlatingen in het BNNVARA-programma Zembla over het storten van granuliet in natuurplassen, en de uitlatingen van een door Zembla geïnterviewde deskundige, niet onrechtmatig zijn jegens de granulietproducent. Arrest afgedaan via art. 81 RO – cassatieklachten kunnen niet tot vernietiging leiden.
Uit de Conclusie AG: Deze zaak draait om uitlatingen van Zembla in televisie-uitzendingen en andere publicaties over granuliet. Granuliet is een restproduct. GIB voegt polyacrylamide toe en gebruikt dit voor verondieping. GIB stelt dat Zembla met verschillende kritische uitlatingen over granuliet onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld omdat haar reputatie daardoor is geschaad. Het gaat om de uitlatingen dat (i) granuliet geen grond is, (ii) het productcertificaat (voor grond) niet past bij granuliet en (iii) granuliet, in verband met het daarin aanwezige polyacrylamide, (mogelijk) schadelijk is voor mens en milieu. Naast deze ‘beschuldigingen’ stelt GIB dat Zembla ook onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door uitlatingen uit te zenden van oud-officier van justitie die GIB in een van de televisie-uitzendingen heeft beschuldigd van strafbaar handelen (zie ook rov. 6.1 van het arrest).
Het gerechtshof Den haag (IEPT20240528 en IEPT20240528) stelde voorop dat de kernvraag is of de uitlatingen van Zembla over het storten van granuliet onrechtmatig zijn jegens GIB in de zin van art. 6:162 BW, waarbij een afweging moet worden gemaakt tussen de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) en het recht op bescherming van reputatie van GIB (art. 8 EVRM) (rov. 6.3-6.6).
Het hof beoordeelde eerst de drie door GIB gestelde beschuldigingen. Volgens het hof vond Zembla’s berichtgeving hierover voldoende steun in het feitenmateriaal waaronder de toelichting bij het Besluit bodemkwaliteit, interne notities van IenW en het RIVM-rapport uit 2023 (rov. 6.14-6.39). De uitlatingen droegen bij aan een debat van publiek belang, waren zorgvuldig gebracht en gaven GIB voldoende gelegenheid tot wederhoor (rov. 6.24-6.26, 6.40-6.41).
Ten aanzien van de door Zembla uitgezonden uitlating van de oud-officier overwoog het hof dat Zembla daarbij optrad als boodschapper. Er bestaat een ruime mate van vrijheid voor zover de media deze ‘boodschappersfunctie’ vervullen. Dat betekent dat de media alleen onder bijzondere omstandigheden aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het weergeven van uitlatingen van derden (rov. 6.52). Die waren in dit geval niet aanwezig (rov. 6.59). Het hof kwam tot de slotsom dat geen van de uitlatingen van Zembla of de geïnterviewde deskundige onrechtmatig is jegens GIB.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt GIB in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van BNNVARA begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente indien GIB deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Het oordeel van het hof dat de uitlatingen van Zembla en de geïnterviewde deskundige niet onrechtmatig zijn, blijft in stand.