Geen overheidsaansprakelijkheid vanwege HR-afdoening thuiskopiezaak zonder prejudiciële vragen en motivering ex 81 Wet RO

19-02-2026 Print this page
IEPT20260120, Hof Den Haag, HP/Dell/FIAR v Staat

Overheidsaansprakelijkheid. Gestelde onrechtmatige rechtspraak. Geldigheid van het Nederlandse stelsel van auteursrechtelijke thuiskopievergoedingen. Afdoening van een zaak door de Hoge Raad zonder prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, met gebruikmaking van een verkorte motivering op grond van artikel 81 Wet RO. Verenigbaarheid met artikel 6 EVRM, artikel 267 derde alinea VWEU en het betrokken materiële Unierecht.


HP en Dell zijn importeurs en/of fabrikanten van dragers. FIAR is hun branchevereniging. HP c.s. en anderen hebben eerder tegen de Staat en Stichting De Thuiskopie een procedure gevoerd waarin zij schadevergoeding hebben gevorderd wegens strijdigheid van het Nederlandse stelsel voor auteursrechtelijke thuiskopievergoedingen met de EU-richtlijn waarin dat stelsel is geregeld. Dit hof heeft de vorderingen van de eiseressen in die eerdere procedure afgewezen, waarna de Hoge Raad hun daartegen gerichte cassatieberoep heeft verworpen. De Hoge Raad heeft daarbij geen prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en heeft op de voet van artikel 81 Wet RO volstaan met een verkorte motivering (IEPT20231108). HP c.s. heeft vervolgens de onderhavige schadevergoedingsprocedure ingeleid tegen de Staat, omdat zij vindt dat het arrest van de Hoge Raad in strijd is met het Unierecht.


Het hof bekrachtigt in dit arrest het vonnis waarin de rechtbank de vorderingen van HP c.s. heeft afgewezen. Het hof wijst daarnaast de vorderingen af die HP c.s. voor het eerst in hoger beroep heeft ingesteld omdat die op een ander debat betrekking hebben dan de vorderingen bij de rechtbank en daarmee in strijd komen met de eisen van een goede procesorde.

 

HANDHAVING IE RECHTSPLEGING
 

 

Beoordelingsmaatstaf (Grief 1)
Het hof stelt voorop dat overheidsaansprakelijkheid wegens rechterlijk handelen slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden aangenomen. Er moet sprake zijn van een kennelijk en voldoende ernstige schending van het Unierecht door de hoogste nationale rechter. Daarbij moet rekening worden gehouden met de bijzondere positie van de rechterlijke macht en het belang van rechtszekerheid. Het hof toetst dus zeer terughoudend of de Hoge Raad het Unierecht evident heeft miskend.


Het ongemotiveerd niet verwijzen van een prejudiciële vraag (Grief 2 en delen van de Grieven 3 tot en met 5): Het besluit om niet te verwijzen/gebruik verkorte motivering
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU hoeft niet te worden verwezen als het Unierecht reeds duidelijk is door bestaande rechtspraak (acte éclairé). Het ontbreken van een uitgebreide motivering leidt dus niet automatisch tot aansprakelijkheid van de Staat.

 

Gestelde schendingen van artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl (Grieven 3, 4 en 5)

Het HvJ EU heeft artikel 5 lid 2 aanhef en onder b) ARl, voor zover hier van belang, als volgt uitgelegd in zijn arresten Padawan/SGAE, De Thuiskopie/Opus, Austro-Mechana-Amazon.com, Copydan Båndkopi/Nokia, HP /Reprobel, EGEDA/Estadoen Microsoft/SIAEdie het heeft gewezen voordat de Hoge Raad zijn omstreden arrest wees.

 

“Billijke compensatie” is een autonoom Unierechtelijk begrip dat in alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd. Lidstaten hebben wel een ruime beoordelingsmarge bij de inrichting van hun nationale compensatiestelsels (zoals wie betaalt, hoe en hoeveel), zolang deze systemen verenigbaar zijn met de doelstelling van een hoog niveau van auteursrechtbescherming en een rechtvaardig evenwicht tussen rechthebbenden en gebruikers.

 

De compensatie moet verband houden met de schade die auteurs lijden door privé-kopieën en is bedoeld als vergoeding voor daadwerkelijk geleden nadeel. In beginsel is de maker van de thuiskopie verantwoordelijk voor die schade, maar vanwege praktische problemen mogen lidstaten de compensatie heffen via een forfaitaire heffing op apparaten en dragers, die uiteindelijk door gebruikers wordt gedragen.

 

Die heffing mag niet worden toegepast op dragers die duidelijk voor andere (zakelijke) doeleinden worden gebruikt. Als een algemene heffing toch wordt opgelegd, moet er een effectief vrijstellings- of terugbetalingsmechanisme bestaan om overcompensatie te voorkomen. Zo’n terugbetalingsrecht moet praktisch toegankelijk en doeltreffend zijn.

 

Ten slotte geldt dat wanneer de heffing vooraf wordt opgelegd (bij verkoop van dragers/apparaten), deze noodzakelijkerwijs forfaitair is, omdat de daadwerkelijke schade op dat moment nog niet kan worden vastgesteld.


- Keuze tussen licentiemodel en substitutiemodel en berekening van de compensatie op de grondslag van de primaire exploitatievergoeding

HP c.s. betoogde dat compensatie alleen mag worden gebaseerd op daadwerkelijke schade (substitutiemodel) en niet op een fictieve licentiewaarde. Het hof oordeelt echter dat de lidstaten een ruime beoordelingsmarge hebben bij de vormgeving van de thuiskopieheffing. Het HvJ EU verlangt geen strikte correlatie tussen totale heffing en werkelijke schade; een forfaitair systeem is toegestaan. Het hof acht het Nederlandse stelsel daarom niet evident in strijd met de richtlijn.

 

- De ongedifferentieerde heffing: terugbetaling èn vrijstelling?

Het hof erkent dat een algemene heffing op dragers ook zakelijke gebruikers kan treffen, maar verwijst naar HvJ-rechtspraak dat dit mag bij praktische moeilijkheden, mits correctiemechanismen bestaan. Vrijstelling is niet altijd vereist als er een terugbetalingsregeling is.

 

- De ongedifferentieerde heffing: doeltreffende (vrijstellings- en) terugbetalingsregeling?
Het hof beoordeelt of de Nederlandse regeling effectief is. Het acht relevant dat er een restitutieregeling bestaat en dat deze in beginsel toegankelijk is voor zakelijke gebruikers. Hoewel de regeling niet perfect is, acht het hof haar niet zodanig ontoereikend dat sprake is van een kennelijke schending van het Unierecht.


- De gestelde overcompensatie
HP c.s. stelde dat het Nederlandse systeem leidt tot structurele overcompensatie van rechthebbenden. Het hof oordeelt dat het HvJ EU geen exacte schade-compensatie vereist en dat forfaitaire systemen inherent onnauwkeurig zijn. Zolang de heffing niet evident disproportioneel is en lidstaten hun beoordelingsmarge niet overschrijden, is geen sprake van een kennelijke schending. Het hof ziet geen bewijs dat Nederland deze marge heeft overschreden.


Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank: geen staatsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige rechtspraak. De Hoge Raad heeft volgens het hof het Unierecht niet kennelijk geschonden door geen prejudiciële vragen te stellen en het cassatieberoep summier te motiveren. Ook inhoudelijk acht het hof het Nederlandse thuiskopiestelsel niet evident strijdig met de Auteursrechtrichtlijn.

 

 

IEPT-versie volgt later

ECLI:NL:GHDHA:2026:29

 

Zie ook:

Hoge Raad, 7 december 2018, HP v De Staat en Thuiskopie 

Hof Den Haag, 23 mei 2017, HP v De Staat en Thuiskopie 

Rb Den Haag, 14 januari 2015, Acer v De Staat en Thuiskopie