Na Brexit-overgangsperiode kunnen VK-merken niet met EU-merken conflicteren
20-02-2026 Print this page
Een Uniemerkaanvraag van Ye (2015) waartegen Nowhere oppositie instelde op basis van een in het VK gebruikt merk. Het EUIPO wees de oppositie na Brexit af, omdat Britse rechten na 31 december 2020 geen geldige EU-basis meer zijn. Het Gerecht en de AG vonden dat de situatie bij aanvraag bepalend was, maar het Hof oordeelt anders: na de overgangsperiode zijn Britse merken geen rechten van een lidstaat meer. Volgens het territorialiteitsbeginsel kunnen zij niet conflicteren met EU-merken. Het arrest van het Gerecht wordt vernietigd en beroep van Nowhere wordt verworpen.
De zaak draait om een Uniemerkaanvraag van Ye (30 juni 2015), waartegen Nowhere oppositie instelde op basis van een niet-ingeschreven merk dat zij in het Verenigd Koninkrijk gebruikte. Hoewel de oppositie pas op 10 februari 2021 werd afgewezen door het EUIPO, was de aanvraag én oppositieprocedure gestart vóór de Brexit en het einde van de overgangsperiode (31 december 2020).
Het EUIPO wees de oppositie af met als reden dat Britse rechten na 31 december 2020 geen geldige basis meer konden vormen voor een oppositie tegen een Uniemerk. Het Gerecht en ook de AG verwerpen die redenering. Volgens het Gerecht moest worden gekeken naar de situatie op het moment van indiening van de merkaanvraag (30 juni 2015), toen het VK nog deel uitmaakte van de EU. Ter ondersteuning van het beroep bij het Gerecht heeft Nowhere één middel aangevoerd, in essentie betoogde zij dat de enige relevante datum voor de vaststelling van het bestaan van een ouder recht waarop een oppositie tegen de inschrijving van een Uniemerk was gebaseerd, de datum was waarop de aanvraag tot inschrijving van dat merk was ingediend.
De AG (B9 16786) concludeerde dat het Gerecht terecht oordeelde dat de situatie op het moment van aanvraag bepalend is en adviseerde het Hof het hoger beroep van het EUIPO te verwerpen. Het hof oordeelt echter anders.
Na de inwerkingtreding van het Brexit-terugtrekkingsakkoord op 1 februari 2020 is het Verenigd Koninkrijk geen EU-lidstaat meer; EU-recht geldt alleen nog tijdens de overgangsperiode (tot 31 december 2020). Na het einde van die overgangsperiode geldt het EU-recht niet meer in het VK, behalve waar het terugtrekkingsakkoord dat uitdrukkelijk regelt.
Het Gerecht had geoordeeld dat Britse oudere merken nog konden worden ingeroepen in lopende oppositieprocedures tegen EU-merken, maar het Hof vindt dat juridisch onjuist.
Volgens het territorialiteitsbeginsel werken merkrechten alleen op het grondgebied waar ze beschermd zijn. Na de overgangsperiode zijn Britse merken geen rechten van een EU-lidstaat meer en kunnen ze dus niet conflicteren met EU-merken die daarna worden ingeschreven.
Er is geen bepaling in het terugtrekkingsakkoord die EU-merken na de overgangsperiode nog rechtsgevolgen in het VK geeft, of omgekeerd. Argumenten over evenredigheid, wederkerigheid of onvoorzienbaarheid van Brexit worden verworpen: een oppositie kan alleen slagen als het oudere EU-relevante recht nog bestaat bij de eindbeslissing.
Het arrest van Gerecht EU wordt vernietigd, beroep van Nowhere wordt verworpen.
C‑337/22 P, ECLI:EU:C:2026:71