Artikel 29

Print this page

  weegschaal.png

 

1.  Dwanglicenties worden door het Bureau aan een of meer personen verleend op verzoek van die persoon/personen, doch uitsluitend om redenen in verband met het openbaar belang en na raadpleging van de raad van bestuur.

 

2.  Op verzoek van een Lid-Staat, van de Commissie of van een in communautair verband opgerichte en door de Commissie geregistreerde organisatie, kan een dwanglicentie worden verleend, aan hetzij een categorie van personen die voldoen aan specifieke eisen, hetzij een of meer personen in een of meer Lid-Staten of in de gehele Gemeenschap. Zij kan uitsluitend om redenen in verband met het openbaar belang en met toestemming van de raad van bestuur worden verleend.

 

3.  Het Bureau stelt bij de verlening van de dwanglicentie de aard van de handelingen en de redelijke voorwaarden alsmede de in lid 2 genoemde specifieke eisen vast. Bij de vaststelling van de redelijke voorwaarden wordt rekening gehouden met de belangen van een houder van een kwekersrecht die zou worden benadeeld door de verlening van de dwanglicentie. De redelijke voorwaarden kunnen een eventuele tijdslimiet omvatten alsmede de betaling van een passende royalty aan de houder bij wijze van billijke vergoeding, en kunnen de houder bepaalde verplichtingen opleggen waaraan moet worden voldaan om de dwanglicentie te kunnen gebruiken.

 

4.  Telkens aan het einde van een termijn van een jaar, vanaf het moment waarop de dwanglicentie is verleend en vóór bovengenoemde eventuele tijdslimiet, kan elke betrokken partij bij de procedure om vervallenverklaring of wijziging van de verleningsbeslissing verzoeken. Grond tot een dergelijk verzoek kan slechts zijn dat zich in de omstandigheden die ten tijde van het nemen van de beslissing bepalend waren, inmiddels een verandering heeft voorgedaan.

 

5.  Op verzoek wordt de dwanglicentie verleend aan de houder voor een hoofdzakelijk afgeleid ras indien aan de criteria van lid 1 is voldaan. De in lid 3 bedoelde redelijke voorwaarden omvatten de betaling van een passende royalty als billijke vergoeding aan de houder van het oorspronkelijke ras.

 

6.  In de krachtens artikel 114 op te stellen uitvoeringsbepalingen kunnen bepaalde gevallen worden genoemd als voorbeelden van openbaar belang als bedoeld in lid 1 en voorts nadere regels worden vastgesteld voor de toepassing van bovenstaande leden.

 

7.  Met betrekking tot een communautaire bescherming voor kweekprodukten kunnen door de Lid-Staten geen dwanglicenties worden verleend.