Artikel 37

Print this page

  weegschaal.png

 

1. Het verzoek om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, leden 1, 2 en 5, van de basisverordening moet bevatten:

a) de aanduiding van de verzoeker en de weigerachtige houder van het betrokken ras als partijen in de procedure;
b) de rasbenaming van het betrokken plantenras en de soort waartoe het behoort;
c) een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de dwanglicentie betrekking moet hebben;
d) een uiteenzetting van het openbaar belang waarop het verzoek berust, en een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het gestelde openbaar belang worden aangevoerd;
e) in het geval van een verzoek als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de basisverordening, een voorstel inzake de categorie van personen aan wie de dwanglicentie moet worden verleend, en in voorkomend geval de specifieke eisen waaraan die personen moeten voldoen;
f) een voorstel voor een billijke vergoeding en de berekeningsgrondslag voor deze vergoeding.
 

2. Het verzoek om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, lid 5a, van de basisverordening moet bevatten:

a) de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en de weigerachtige houder van het betrokken ras als partijen in de procedure;
b) de rasbenaming van het betrokken plantenras en de soort waartoe het behoort;
c) een elektronische kopie van het octrooibewijs of de octrooibewijzen waarin het nummer van de biotechnologische uitvinding en de desbetreffende aanspraken en de octrooiverlenende instantie(s) worden vermeld;
d) een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de dwanglicentie betrekking moet hebben;
e) een voorstel voor een billijke vergoeding en de berekeningsgrondslag voor de vergoeding;
f) een uiteenzetting van de reden waarom de biotechnologische uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras, met inbegrip van een gedetailleerde toelichting van de feiten, bewijzen en argumenten ter ondersteuning van de aanspraak;
g) een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de licentie, dat niet het territoriale toepassingsgebied van het onder c) bedoelde octrooi mag overschrijden.

 

3. Het verzoek om een in artikel 29, lid 5a, tweede alinea, van de basisverordening bedoelde wederkerige dwanglicentie moet bevatten:

a) de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en de weigerachtige houder van het betrokken ras als partijen in de procedure;
b) de rasbenaming van het betrokken plantenras en de soort waartoe het behoort;
c) een elektronische kopie van het octrooibewijs of de octrooibewijzen waarin het nummer van de biotechnologische uitvinding en de desbetreffende aanspraken en de octrooiverlenende instantie(s) worden vermeld;
d) een officieel document waarin wordt verklaard dat een dwanglicentie voor een geoctrooieerde biotechnologische uitvinding aan de houder van het kwekersrecht is verleend;
e) een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de wederkerige licentie betrekking moet hebben;
f) een voorstel voor een billijke vergoeding en de berekeningsgrondslag voor de vergoeding;
g) een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de wederkerige licentie, dat niet het territoriale toepassingsgebied van het onder c) bedoelde octrooi mag overschrijden.

 

4. Bij een verzoek om een dwanglicentie worden de stukken gevoegd waaruit blijkt dat de verzoeker de houder van het kwekersrecht vruchteloos om een contractuele licentie heeft verzocht. Wanneer de Commissie of een lidstaat overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de basisverordening om een dwanglicentie verzoekt, kan het Bureau in geval van overmacht ontheffing van deze bepaling verlenen.

 

5. Een verzoek om een contractuele licentie wordt geacht te zijn afgewezen in de zin van lid 4, wanneer:

a) de houder de persoon die aanspraak maakt op dit recht niet binnen een redelijke tijd een definitief antwoord heeft gegeven, of
b) de houder heeft geweigerd, de persoon die aanspraak maakt op dit recht een contractuele licentie te verlenen, of
c) de houder de persoon die aanspraak maakt op dit recht een licentie heeft aangeboden, maar hetzij de wezenlijke voorwaarden van het aanbod, waaronder die betreffende de te betalen royalty, hetzij de voorwaarden van het aanbod in hun geheel kennelijk onredelijk waren.