Hoge Raad verwerpt klachten BBIE tegen gedeeltelijk inschrijving van AMSTERDAM UNIVERSITY als merk
24-04-2020 Print this page
(Met dank aan Herwin Roerdink en Sophie Janssen (Vondst Advocaten) en Tobias Cohen Jehoram (De Brauw))
Cassatie BBIE tegen oordeel hof Amsterdam dat het woordmerk AMSTERDAM UNIVERSITY ten onrechte is geweigerd voor niet aan onderwijs gerelateerde waren en diensten verworpen: nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen behoeft dit oordeel ex artikel 81 RO geen nadere motivering.
Geschil omtrent de weigering van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom om het door de UvA gedeponeerde woordmerk AMSTERDAM UNIVERSITY als merk in te schrijven omdat het wegens zijn beschrijvend karakter geen onderscheidend vermogen zou bezitten. Het Hof Den Haag heeft het door de UvA ingestelde beroep tegen die weigering gedeeltelijk toegewezen en geoordeeld dat het woordmerk ten onrechte is geweigerd voor waren of diensten die niets met onderwijs te maken hebben (IEPT20181218).
Het Hof oordeelde onder meer dat - onder toepassing van het Neuschwanstein-arrest (IEPT20180906) - het enkele feit dat de waren of diensten door het in aanmerking komend publiek als merchandising of souvenirs worden beschouwd doordat het teken AMSTERDAM UNIVERSITY erop wordt aangebracht of daaraan wordt verbonden, op zich geen wezenlijk kenmerk vormt dat die waren of diensten beschrijft.
Het Bureau heeft cassatie ingesteld. De Hoge Raad oordeelt dat klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft ex artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen nu het bij de beoordeling van deze klachten niet nodig is om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.
IEPT20200424, HR, het Bureau v UvA