Verzoeker verzocht in 2020 om vervallen- en nietigverklaring van een merkinschrijving wegens niet normaal gebruik en aanvraag te kwader trouw. Het Bureau wees de vervallenverklaring deels toe. De Eerste Kamer oordeelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, verklaart verzoeker ontvankelijk, maar acht de voorziening ongegrond. De Tweede Kamer miskende niet dat geen sprake was van kwade trouw bij de merkaanvraag in 2013. Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van Nielson B.V. (€ 6.600).
MERKENRECHT - AANVRAAG TE KWADER TROUW
Verzoeker heeft in 2020 verzoek tot doorhaling wegens vervallenverklaring en nietigverklaring ingediend. Het verzoek is vervallen vanwege niet normaal gebruik en aanvraag te kwader trouw. Het bureau heeft deels vervallenverklaring toegewezen.
Advocaat-Generaal P. Vlas concludeert (B9 16493) dat incidenteel beroep bij de Tweede Kamer van het Benelux-Gerechtshof tegen een eindbeslissing van het Bureau niet mogelijk is na verloop van de in art. 1.15bis lid 1 BVIE genoemde beroepstermijn. Bij arrest van 23 april 2024 heeft de Tweede Kamer van het
Hof niet-ontvankelijk verklaard in zijn incidenteel beroep, de beslissing vernietigd voor zover afgewezen en merkinschrijving nietig verklaard en doorhaling van inschrijving gelast. IEPT20240423).
Verschoonbare termijn overschrijding
Tussen partijen staat vast dat de zending (van het afschrift) op maandag 29 april 2024 op het kantoor van mr. den Hollander, die bij de Tweede Kamer is opgetreden als procesvertegenwoordiger voor is bezorgd. Termijn voor instelling van voorziening van twee maanden is ex 5.3 Reglement procesvoering, met één dag overschreden. Deze overschrijding is evenwel verschoonbaar. Verzoekschrift is op 21 juni 2024 per email aan de griffie gestuurd, op 24 juni is door de griffie erop gewezen dat deze niet ondertekend was door een advocaat. Dat is op 29 juni per email gecorrigeerd. Het origineel is inhoudelijk volledig identiek op 2 juli door de griffie ingeschreven.
Ontvankelijkheid
De omstandigheid dat de Tweede Kamer in het verleden wel een incidenteel beroep buiten de beroepstermijn heeft toegestaan, opent volgens het onderdeel de mogelijkheid tot incidenteel beroep. Aangezien het mogelijk is voor beide partijen om beroep bij de Tweede Kamer in te stellen - zij het binnen de beroepstermijn - is er geen sprake van schending van art. 6 EVRM.
Te kwader trouw
De Tweede Kamer miskent dat uit de bewijzen dat de naam ‘Nielson’ in 2007, 2008 en 2011 gebruikte zonder de toevoeging DJ en/of Mister en dat geen sprake kan zijn geweest van kwade trouw ten tijde van het aanvragen van het merk op 10 juni 2013. Dat het teken Nielson in 2007 en 2008 incidenteel en vanaf 2009 slechts nog beperkt gebruik heeft gemaakt is een feitelijke vaststelling waaraan de Eerste Kamer is gebonden.
Het is niet onbegrijpelijk dat de Tweede Kamer de verklaring heeft uitgelegd zoals zij heeft gedaan; dat door de registratie hij wilde voorkomen dat hij de naam moest afstaan aangezien hij aantoonbaar de naam eerder in het economisch verkeer gebruikte.
De eerste kamer van het Benelux Gerechtshof verklaart incidenteel verzoeker ontvankelijk en oordeelt dat de verzochte voorziening ongegrond is en veroordeelt hem in de kosten van Nielson B.V. (€6.600)
IEPT-versie volgt later
Kopie oorspronkelijke uitspraak